Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
18.5
watei'vallen of zware snelstroomen, riams genoemd, of
door groote meren, welke de rivieren vormen of
waaruit zi^j haren oorsprong nemen. De riams ont-
staan , wanneer, bij de vernaauwing van de bedding
der rivier, de wateren opgestuwd worden, en met
bruisend geweld uit de engte zich eenen weg banen,
fïehalve de groote watervlakten, door de Banjermas-
sing gevormd, kent men slechts het meer Maleyoe,
dat ruim 30 mijlen in omtrek heeft, en ongeveer iio
mijlen van de westkust verwijderd is; voorts de groote
binnenzee, of het meer Kinie- Baloe, in de noordelijke
helft des eilands, welke eene groote oppervlakte moet
hebben, en waaruit vèrscheidene rivieren noordwaarts
en oostwaarts afvloeijen.
§ 15. Bergen, in het midden van het eiland verheft
zich een hoog gebergte, dat wel het moeder-gebergte
zou verdienen genoemd te worden, dewijl de meeste
gebergten uit hetzelve, hetzij in bergruggen, hetzij
in aaneengeschakelde ketens, in verschillende rigtingen
zich door het eiland verspreiden. Daardoor klimt het
vermoeden tot waarschijnlijkheid, dat Borneo, even als
Celebes cn Gilolo, in armen of schiereilanden is
verdeeld geweest, zoodat de bogten of baaijen, welke
overgebleven waren, later door aanslibbing of ook
door kalkformatie zijn gevuld geworden. De gesteld-
heid van den grond schijnt hiervoor te pleiten. Naar
het noorden is de toestand des eilands geheel onbe-
kend en een gesloten boek, en oostwaarts weet men
er weinig meer van. Naar het noordwesten komt, uit
het moeder - gebergte , het gebergte Batoe Loepar , ten
zuiden langs Borneo - proper, waartoe denkelijk Kaap
Datoe behoort; naar het zuidwesten gaat eene andere
bergketen, die zich in het Rijk Kotta - Kingen ver-
liest; naar het zuidzuidoosten loopt eene keten, welke
ten oosten van de groote rivier het Katoe-Gebergte
vormt, en in de Klippige- en Laut-Hoeken eindigt;
in het oosten en noordoosten komen uit het moeder-
gebergte de bergruggen van Sajing-Langit, met eenige
lagere bergketens en voorgebergten.
Op de westkust ziet men den Mintoberg, met een'
naburigen, ten zuidoosten van daar gelegen' piekberg.
De Mayang verheft zich op de kust ten noorden
van Tandjong- Sattey. De Sint-Pietersberg, of Kinie-
Baloe, ten zuiden van de Malloedoe-baai, is op groo-
ten