Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
179-
breedte van 30 tot 40 voet, b^ eene diepte of
dilue van 10 voeten of minder, gevonden wotdt. De
bewerking en zuivering geschiait genoegzaam op eene
even eenvoudige wijze, als die der tinmijnen op Ban"
ka; het goud wordt uit den goud houdenden grond
uitgewasschen, waarbij de Chinezen met meer oordeel
dan de inlanders te werk gaan. De groote mijnen
vorderen van 100 tot 200 werklieden, de kleine niet
meer dan 30. Er worden soms klompen gedegen goud
gevonden, die, naar men verzekert, xo oude ponden
wegen; ja zelfs verhaalt men, dat er stukken van on-
geveer 25 pond zwaar zijn opgegraven. De mijnen van
Borneo moeten, volgens sommigen, jaarlijks eene waarde
van tien tot veertien millloen Guldens, volgens anderen
van zestien tot twintig millioen opleveren; terwijl men
zegt, dat de Chinezen wel van anderhalf tot twee
millioen Guldens en meer aan goud naar hun Vader-
land zenden, of op hunne terugreize derwaarts me-
denemen. De fraaiste diamantmijnen vindt men in het
Landaksche gebied, doch de meeste omstreeks Soen-
gie Roentie, ten oosten der Banjersehe rivier. Met
deze houden zich meest de inlanders bezig, wier be-
werking der diamantmijnen weinig verschilt van die der
goudmijnen. Tot beide einden graven zij kuilen, soms
niet grooter dan zes vierkante voeten; het diamant hou-
dende zand wordt in bamboezen mandjes gewasschen,
waarna men de diamanten uit de overblijvende steentjes
uitzoekt. In de diamantgroeven vindt men, veelal reeds
ter diepte van 6 of 7 voet, water, dat men met em-
mers uitschept. Een weinig lager, doch ook wel op
14 voet of meerdere diepte, ontmoet men het diamant
houdende zand. Bij den diamant vindt men meermalen
stofgoud en platina, even als men gewoonlijk, althans
op de zuidkust, platina in de goudmijnen vindt. Tot
nog toe hechten de inlanders geen of weinig waarde
aan de platina; men meent echter, dat Borneo gemak-
kelijk 10000 oneen (oude) aan platina 'sjaars zou
kunnen opbrengen. Eene vrij groote hoeveelheid anti-
monium of spiesglas wordt uit dit Land getrokken,
alsmede ijzersteen en magneetijzer, inzonderheid in of
nabij het stroomgebied der zuidelijke rivieren; het
laatste wordt tot staafjes van geringe dikte en lengte
verwerkt.
§ II. Kapen. Van de zuidpunt des westhoeks be-
M 2 gin-