Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
176-
lioncterd mensclienhoofdcn versierd is, ten deele eene
vereerde erfenis van den vader en vroegere voorouders.
In zoodanige hutten is de stank voor den Europeer
ondragelijk.
Is reeds deze barbaarsche gewoonte voor de toene-
ming van de bevolking en van het onderling verkeer on-
gunstig; ook de talian strekt, om den inboorling in
ellende te doen voortleven. De talian is eene afslui-
ting van eenig district, of landschap, en wordt veelal
door een gespannen touw aangeduid. De bedoeling is:
of voorbehoud van de jagt voor den Sultan, of zijne
Grooten, of om het vervoer der voortbrengselen te
beletten, die alsdan te eerder in handen van den Vorst
komen. Op die wijze houdt alle onderlinge verkeer
op; want, wie de afsluiting overschrijdt, dien wordt
de eene of wel beide handen of voeten, zelfs wel
het hoofd, afgehouwen, welke teekenen mén tot waar-
schuwing aan het gespannen touw ophangt.
De vrouwen worden niet gekocht, en genieten veel
vrijheid; de aanzienlijke derzelve nemen soms deel aan
de hertenjagt; ook van den dans maken eerbare
vrouwen gebruik, en tevens zijn het niet zelden de
vrouwen, die de mannen tot het koppesnellen aanzetten
of ophitsen. Waar de Nederlandsche invloed geldt, is
echter het koppesnellen aan de bevolking, en de ver-
minkingen wegens de talian, als in andere opzigten,
aan de Vorsten verboden.
In sommige deelen der binnenlanden strekken boomen
den Borneoten tot woning, en leven deze onder elkander
als redelooze dieren; zij, wier toestand een' minderen
graad van redeloosheid aanduidt, wonen in ellendige hut-
ten ; anderen, die iets meer beschaafd zijn, leven gere-
geld in dorpen bijeen. Deze bouwen veelal planken
huizen op palen boven den grond, en wonen met ver-
scheidene gezinnen in een zelfde gebouw, dat geene
vensteropeningen heeft, soms tot honderd personen bij
elkander, terwijl ieder huisvader met de zijnen eene kleine
ruimte heeft, die in een of meer hokjes tot slaapplaat-
sen verdeeld is; eene galerij, aan allen gemeen, gaat
langs het gebouw.
De Dajakkers en Banjerezen worden voor de meest
beschaafde gehouden. Onder de laatste vooral vindt men,
ten aanzien van hunne vermaken, eenige overeenkomst
met de Javanen. De hertenjagt is eene uitspanning der
Groo-