Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
I7.'J
vestigd zijn, hlaners, of Eidaners, noemt men dezul-
ke, die aan en omstreeks de noordwest- en noordkust
wonen, en geacht worden uit China herkomstig te zijn.
Op de oostlvust leven de Tidongers, Tedongen, of Tie-
doens, welke, naar men meent, van denzelfden oorsprong
zijn, als de bevolking van Cdchcs. — De Bcndjous, of
Bcajouirs, wonen in het zuidelijk gedeelte des eilands, en
worden veelal onderscheiden van de Banjerezen, die zich
op de zuidkust onthouden, en volgens sommigen aan
eene vermenging van Beüdjous met Javanen en Maleijers
hunnen oorsprong te danken hebben.
Verder acht men de Maleijers het talrijkste; voorname-
lijk zijn zij langs de west- en zuidkust welhgt 300000
zielen sterk; daarna de Chinezen, die, in mijnwerkers
en in kooplieden, deze laatste aan de kusten of de ri-
viermonden , onderscheiden , en hoofdzakelijk aan en na-
bij de westkust misschien wel aooooo bedragen. De
Soloërs, op de noord- en noordoostkust, zijn 25000, en
de Wadjorezen , op de oostkust, mede ongeveer 25000
in getal. Het minst talrijk zijn de Arabieren en Euro-
peërs ; hun getal is zelfs gering.
§ 6. Zeden en Gewoonten. Weinig zucht voor land-
bouw treft men aan bij de inlandsche bevolking, die
bijna enkel leeft van hetgene de milde Natuiu' ,haar
fianbiedt, of van de jagt, waartoe meestal de spatpijl
(soempic) gebezigd wordt. Die jagt bepaalt zich niet
enkel tot allerlei gedierte, maar strekt zich mede tot
den natuurgenoot uit, dewijl de Borneoot, althansop
verschillende aedeelten des eilands, ook menschenëter is.
Op andere plaatsen gaat hij enkel ter jagt tot het ver-
krijgen van menschenhoofden, en dan hebben, in eenige
streken , vrouwen- of kinderhoofden de meeste waarde.
Koppesneller, in de letterlijke beteekenis, is hij niet,
want hij wondt of doodt met zijn' spat- of blaaspijl,
terwijl de koppesneller, zijnen buit heimelijk besprin-
gende, dien van achteren aangrijpt, en, met éénen slag
van zijn zwaard, hem het hoofd afhouwt. Naar de
menigte van menschenhoofden beoordeelt men de dapper-
heid; en hij wordt voor de magtigste en aanzienlijkste
gehouden, die, onverschillig op welk eene verraderlijke
wijze, de meeste menschenhoofden heeft te huis gebragt.
Zoodanige tehuiskomst wordt doorgaans als een feest ge-
vierd, waaraan al de geburen deelnemen. Men verhaalt,
dat er Opperhoofden zijn, welker luit met vier tot vijf
hon-