Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
174-
minder afkoelt dan op Java en Sumatra, zoodat,
oppervlakkig beschouwd, die kusten voor zeer onge-
zond zouden mogen gehouden worden; doch de on-
dervinding heeft steeds bewezen, dat dit niet het geval
is. In het binnenland is de grond hooger, doch voor
het overige te weinig bekend, om er met eenige ze-
kerheid over te kunnen spreken.
§ 4. Voortbrengselen. Behalve de gewassen, welke aan
de keerkringsgewesten in het algemeen eigen zijn, treft
men daarenboven vele nog onbekende boom- en plantsoor-
ten aan. Ook meent men, dat een naauwkeurig onder-
zoek der voortbrengselen van Borneo, onder verschillende
luchtstreken , voor de Kruidkunde en ook in andere op-
zigten , tot zeer belangrijke uitkomsten leiden zal.
a. Boomen. Eik, tamboesie, 'ijzerhout, sirang,
kangiran, of blankirie, galam en andere houtsoorten,
tot scheepsbouw geschikt, mirte, pijn, ebbenhout,
kamfer, benzoin, drakenbloed, verfhout, velerlei palm-
soorten, en daaronder de sago en goemoetie, aloë of
garoe, koffij, heesters , peper, rottan, suiker en rijst.
b. Dieren. De grootste apensoort, de orang - outang,
heeft hier zijn Vaderland; voorts zijn er tijgers, pan-
ters , beeren, luipaarden, vele herten en wilde zwij-
nen ; rhinocerossen vrij zeldzaam ; volgens sommigen,
olifanten en wilde buffels; kaaimannen in groote me-
nigte; leeuwen en paarden heeft men er nog niet gevon-
den. Onder de vogels ziet men fraaije paradijsvogels,
groote vleêrmuizen en afzigtelijk groote insekten. De
geweldig groote of reusachtige oester, of mossel,
komt in de nabijheid van Borneo voor, terwijl ver-
schillende soorten van walvisschen zich op eenige
tijden van het jaar hieromstreeks laten zien. Zoowel
de zee, als de rivieren leveren eene menigte en ver-
scheidenheid van visch op.
c. Delfstoffen. Siniet, graniet, dioriet, serpentijn,
porfier, kwarts , diamant, kristal, goud, platina, anti-
monium of spiesglas, zink, ijzer en steenkolen.
§ 5. Imvoners. De oorspronkelijke bevolking, welke,
behalve die aan de westkust, tot op de overige kusten
zich uitstrekt, wordt vesdeeld in vier of vijf onder-
scheidene stammen, zoodat de algemeene naam Dajaks,
of Dajakkers, die aan de inwoners vveleens gegeven
wordt, enkel van toepassing is voor hen, die in het
westen en omstreeks e.'n gedeelte der noordwestkust ge-
ves-