Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
172-
Het gemak, om zich alhier te vestigen, lokte VVadjo-
rische handelaars en andere bewoners der westkust van
Celebes uit, om zich op de oostkust van Borneo neder
te zetten. Zij stichtten aldaar onafhankelijke koloniën,
en nog heden zijn het meestal Wadjorezen of Boegine-
zen, die op Borneo's oostkust, vooral aan den mond
der rivier, iiet gezag uitoefenen.
De westkust van Borneo, als onmiddellijk gelegen aan
het vaarwater, dat de gemeenschap tusschen Japan,
China en Siam met Java, Sumatra en het gebied van
den Ganges daarstelt, trok steeds meer dan eenig ander
gedeelte tier uitgestrekte kusten de algemeene belangstel-
ling: van daar dat de volkplantingen langs de kust talrij-
ker zijn dan elders. Na de volgelingen der Boedho - leer,
kwamen er Javaansche Vorsten, die Mohammed als
hunnen Profeet erkenden. Het gezag van Bantam
maakte plaats voor dat van Vorsten, herkomstig uit het
Maleische Schiereiland, van waar de strandvolkeren
der westkust reeds met den Islam waren bekend gewor-
den, nog vóór dat die leer zich over geheel Java ver-
spreid had.
Met dat al gelukte het evenmin aan de leer van
Mohammed, als aan die van Boedho, om eenige
beschaving over de oorspronkelijke bevolking te ver-
spreiden. Of de barbaarsche ruwheid van den inlander
ging op den strandbewoner over, of de verraderlijke
inborst, in het algemeen, naar het schijnt, den Ma-
leijer eigen, werd door den Borneoot overgenomen,
terwijl zelfs de uiterlijke vormen van Godsdienst weinig
meer dan vroeger ingang vonden. Na de Maleijers
kwamen de Arabieren ter westkust van Borneo, die,
mede in den loop der iSi^e eeuw, Rijken gesticht heb-
ben , welke nog bestaan.
Bij den aanvang der eeuw geraakte de Nederlander
in handelsverkeer met dit eiland; doch hij had dikwijls
over de verraderij, vooral die der Vorsten, zich te bekla-
gen. Hoezeer deze verraderij wel nooit straffeloos werd
gepleegd, waren echter de handelsvoordeelen zoo gering,
dat mende betrekkingen met de verschillende Rijken van
tijd tot tijd liet varen, om die nogtans telkens weder
aan te knoopen. Dit was inzonderheid het geval op de
westkust. Op de zuidkust had het opbreken der kanto-
ren doorgaans zeer tegen den zin der Vorsten plaats,
die alsdan de Engelschen toelieten; doch deze wer-
den