Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
tuigen van inlanders, maar zelfs^yan Europeërs, die,door
stilte of tegenwind in hunnen togt belemmerd, bij ge-
ringe bemanning, eene gemakkelijke prooi voor hunne
roofzucht zijn. Vreezen zij, dat het hun niet gelukken
zal de gevangene manschap als slaven te verkoopen , of
zijn zij beducht achterhaald te worden, dan ziet men
hen onbarmhartig en wreedaardig alles vermoorden,
zelfs vrouwen en kinderen niet uitgezonderd. Hebben
de aangeranden zich kloekhartig verdedigd, ook dan ziet
men niet zelden de Maleijers hunne gevangenen vermoor-
den. Somtijds veroorloven zij den gevangen' schepe-
lingen of den voornaamsten onder deze zich los te koo-
pen; dan wagen zij zich stoutmoedig in de nabijheid van
zoodanige plaatsen, waar die losprijs door een' van de ge-
vangenen gehaald wordt. — De menigte himner sluipholen
maakt de uitroeijing dier zeeroovers bijna onmogelijk.
De Javaan is minder stoutmoedig, om in hagchelijke
ondernemingen zich te wagen; hij is meer aan onderge-
schiktheid gewoon, toont zich daarin gewillig en onder-
worpen , — maar ook: hij is geen zeeroover. Hij is
welgemaakt, doch over het geheel teêrder en kleiner van
gestalte dan de Maleijer. Hij kan echter zwaren arbeid
verduren en groote lasten torschen. Hij bemint land-
bouw en fabrijkmatigen arbeid, met den landbouw in ver-
band staande, en hoezeer veelal beschuldigd van traag-
heid, is hij niet ongenegen tot inspanning, wanneer hij
de overtuiging heeft, dat de meerdere arbeid hem voor-
deel aanbrengt. Alhoewel van vernuft niet ontbloot,
waarin de Soendanees bij den Javaan achterstaat, schijnt
ook deze daarin voor de reeds genoemde natiën onder
te doen. Hij toont niet zelden eene vasthoudendheid of
onverzettelijkheid, die ten goede kan geleid worden, om
moeijelijkheden te boven te komen, maar die hem tevens
geducht maakt, wanneer hij zich beleedigd acht. De
Javaan is in zijn gevoel van eer zeer kwetsbaar; hij
moet daaromtrent, zoowel als in de vereering van de
nagedachtenis zijner voorouders en van derzelver wapenen,
inzonderheid krissen (dolken met een slangswijs lemmet),
met de uiterste kieschheid behandeld worden, wil men
niet soms eene tloote onvoorzigtigheid. met het leven
betalen. — Ontzag jegens hen, die over hem gesteld
zijn, of die hij als zijne meerderen beschouwt, ge-
trouwheid aan zijnen Meester en gehechtheid aan zijnen
geboortegrond onderscheiden voor het overige den Javaan.
De