Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
171-
vestigden, van ben afkeerig maakten. Bovendien ver-
genoegt zicli liiinne traagheid met het hoogst noodwen-
dige, en schuwt allen arbeid, zoodat, in eqn zoo mild
gezegend Land, de hongersnood niet zelden groote ver-
woestingen onder hen aanrigt; ook vallen er velen door
sluipmoord, daar alleen het verslaan van den natuurge-
noot den man tot den rang van man verheft. Deze
beide oorzaken werken de vermeerdering van bevolking
zeer tegen , en strekken tot verklaring van i het gering
aantal bewoners van zulke vruchtbare oorden.
Waarscliijnlijk is de onbekendheid met de binnen-
landen , en de genoemde schuwheid van den bijna
wilden bewoner veler streken, de oorzaak, dat men
weleens beweerd heeft, dat de overgang van mensch
tot dier op Borneo zou te vinden zijn. Zeker is het,
dat de grootste apensoort, of het grootste vier handige
dier, alhier leeft. Hoe zeldzaam deze diersoort ook
wezen moge, zij heeft, ongetwijfeld door dat voor-
oordeel, den naam van orang-outang, of houtang,
bosehmemch, van orang (mensch), en houtang (bosch)
verkregen.
Terwijl de Hindoesche Godsdienst nog op ]ava bloei-
de , en de Beheerschers hun gezag ook buiten dat eiland
deden eerbiedigen, gelukte het him , dit mede op Bor-
neo, bepaaldelijk op de zuid- en westkust, te vestigen.
Volgens sommigen hebben de Vorsten van Madjapahit
langs alle kusten, zelfs op de noordkust, volkplantingen
gehad, waardoor dat kustgebied, in zeven Rijken ver-
deeld , onder Vorsten van Javaanschen oorsprong gebloeid
heeft. Langzamerhand gingen nogtans die Rijken te niet,,
nadat zy, door den toenemenden invloed van den Islam
op Java, aan zich zelve bleven overgelaten; op de
west- en zuidkust handhaafden zij zich het langst. In
plaats der Vorsten van Javaanschen stam, kwamen nu
Vorsten van gemengden of van Arabischen oorsprong
aan het bewind; terwijl later het grootste deel der
strandvolken onder het bestuur van drie Vorsten geraak-
te, aan welke ook, hier meer, daar minder, diep land-
waarts in, de binnenlandsche volkeren gehoorzaamden.
Aan de noordwest-, noord- en noordoostkust was het
de Sultan van het eigenlijke Borneo of Borneo - proper,
op de west- en zuidwestkust de Sultan van Sukkadana,
en over het grootste gedeelte der zuid- cn een deel der
oostkust dc Sultan van Banjermassing.
Het