Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
10(i
weg, de zeerooverij, welke in die wateren veelvuldig
gedreven werd, zooveel te krachtdadiger te fnuiken.
Dit oogmerk is ook volkomen bereikt door de meerdere
waakzaamheid, welke men tegen de zeeroovers heeft
kunnnen oefenen.
§ i. Ligging en Grenzen. De beide eilanden lig-
gen tusschen 105° 16' en 108° 20' oosterlengte van
Greenwich, en tusschen 1° 15' en 3° 30' zuiderbreed-
te; in het noorden hebben zi,] de Linga- en Karima-
ta • Zee, in het oosten en zuiden de Javasche Zee en
in het westen Straat Banka.
§ 2. Uitgestrektheid en Bevolking. Banka, dat
ongeveer een schuin langwerpig vierkant uitmaakt,
een meer ten westen uitspringend gedeelte der kust
niet mede gerekend, beslaat nagenoeg i8co vierkante
mijlen, en Billiton, bijna gelijkhoekig vierkant, 1600
vierkante mijlen. De bevolking van het laatste wordt
op 15000, die van het eerste op 40000 zielen be-
groot.
§ 3. Luchtgesteldheid. Over het geheel is de hitte
hier niet drukkend. Te midden der digte wouden,
waar de winden geene vrije speling hebben, is de
dampkring vochtig en ongezond , zoowel als langs de
kusten van Straat Banka, van wege den aangeslibden
grond.
§ 4. Voortbrengselen:
a. Boomen. Tamboesie, ballouw en ander voor
scheepsbouw geschikt hout, garoe, of aloë, en eb-
benhout.
b. Dieren. Men vindt hier geene groote of ver-
scheurende diersoorten, maar wel velerlei slangen en
insekten. Nabij de kusten veel visch, tripang, agar-
agar enz.
c. Delfstoffen. Tin, ijzer en goud; doch op Banka
worden alleen de tinmijnen, en op Billiton de ijzer-
groeven bewerkt.
§ 5. Inwoners. Deze zijn van Maleischen oorsprong,
en worden gewoonlijk verdeeld in Orang Goenong en
Orang Sekat, of Laut. De eerste zijn landbouwers en
berg-