Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
löl
al of niet met de eigenlijke Lampongers van denzelf-
den oorsprong zijn, kan niet worden opgegeven,
daar men met die volkeren nog niet genoegzaam be-
kend is. Om dezelfde reden is het ook niet mogelijk,
te bepalen, of de Lampongers met de Soendaners op
Java afkomst en taal gemeen hebben.
S 21. IV. binnenlandsche Kijken, zoover die ons
bekend zijn,
i. Het Ktjk menang-kabou
is nog het aanzienlijkste van het binnenland, en grenst
ten noorden aan de Batta - Landen, ten oosten aan
Siak, ten zuidoosten aan Jambi en ten westen aan
Indrapoera.
Luchtgesteldheid. Veelal gezond, doch naar de
hoogte van den grond verschillende.
Bergen. Men kan het Land als eene door heuvels
omringde hooge vlakte aanmerken; aan de westzijde is
het gebergte Goenong - Best,
Rivieren en andere wateren. Hier ontspringen de voor-
naamste rivieren des Lands, de Siak en de Indragirie,
waarvan wij reeds gesproken hebben; zij hebben hier
onderscheidene takken. Ook vindt men hier het meer
Danauts, dat 7 mijlen lang is.
Voortbrengselen. Rijst , peper , sago , de edelste
keerkringsvruchten, met één woord al de voortbreng-
selen des eilands; de goudmijnen zijn de beste van
Sumatra. De inwoners leven van den landbouw, en
zijn in vele kunsten en handwerken bedreven; zij maken
hunne eigene geweren, sabels, dolken en krissen,
gieten geschut en weven katoenen en zijden stoffen; de
voortbrengselen, die zij zelve niet behoeven, verzenden
zij langs de Siak en Indragirie. Mogelijk zijn zij de
oorspronkelijke stam der Mdeijers. Het is in geenen
deele twijfelachtig, dat het Rijk van Menang-Kabou
zich sedert vele eeuwen hier gevestigd en uitgebreid
heeft, en schoon het nu door het verlies van Siak,
Jambi, Indrapoera en Passaman veel is verminderd,
wordt de voornaamste Sultan nog altijd als het Op-
perhoofd van alle eigenlijke Maleijers aangemerkt. —
Bij de Menang-Kabouërs heerschte, naar het schijnt,
in vroegeren tijd meerdere beschaving, dan bij hunne
naburen, hetwelk niet weinig tot de uitbreiding van
K 4 hun