Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
157-
6. De LAMPONGSCHE DISTRICTEN
beslaan het zuidelijkste gedeelte van het eiland, en
grenzen aan Straat Soenda, ten noordoosten aan Pa-
lembang, ten zuidoosten aan het Land der Kedjangv
en ten westen aan Benkoelen.
Luchtgesteldheid. Deze is afwisselend, naar mate van
de hoogte van den grond.
Bergen. Aan de westzijde bergachtig; de spitse
bergen Keizers en Pangong zijn reeds ver uit zee
zigtbaar.
Rivieren en andere wateren. De voornaamste rivie-
ren zijn de Masoesie cn de Toelang-Bawang, welke
laatste in een aanzienlijk meer ontspringt, en onderschei-
dene rivieren, als de IVay-Besi en Aboeng, opneemt,
terwijl zij, tot een' vrij breeden stroom aangegroeid,
zich met de Pedadoe, op dc oostkust, door dezelfde
monding in zee ontlast.
Voortbrengselen. Bij gebrek aan landbouw, zijn de
voortbrengselen gering. Te voren had men meer, thans
slechts weinig peper, wat rijst, katoen, rottan cn
dammer. De vele rivieren en moerassige streken aan
de kusten maken deze zeer geschikt voor natte rijst-
velden ; ook is er groote verscheidenheid van geboomte,
cn in het gebergte zou gemakkelijk goud, misschien
ook ijzererts, te vinden zijn; doch de algemeene traag-
heid is een beletsel voor alle ontwikkeling of verbete-
ring.
In de digte bosschen en moerassige valleijen van dit
schaars bewoonde gedeelte van Sumatra, vindt men niet
weinig olifanten, rhinocerossen , rivierpaarden , tijgers ,
kaaimannen, bloedëgels enz. Eene kleine slang, de
oeway -gelleng, van 5 tot 6 duim lang, schijnt hier
alleen te huis te behooren, doch is gelukkig zeldzaam,
want haar beet veroorzaakt binnen twee uren den
dood. De tapir, eene diersoort, welke schaarsch
schijnt te wezen, wordt hier gevonden, gelijk ook
de Juno - vogel, eene paauwsoort, welke in geene
andere lucht schijnt te kunnen leven.
Verdecling. In boven- en benedenlanden; de me-
nigvuldige vlekken en dorpen hebben elk een bijzonder
Opj^erhoofd.
De voornaamste plaats ;s:
Wajorang, een fort, met een klein vlek , waar de
K 3 Ci-