Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
14»
denc inlandsche Pangcrans bestaande. — De uitgebreide
stad strela zich aan de beide oevers der rivier cn langs
die van eenige kreken uit, zoodat de onderlinge gemeen-
schap meestal met kleine praauwen (praauw-sumbawa)
moet worden onderhouden. Dit is te meer noodza-
kelijk , omdat de meeste vreemdelingen op vlotten
(rakits), in de breede en fraaije rivier gelegen, hunne
woningen hebben. Oorspronkelijk is dit verblijf op
vlotten aan de achterdochtige Staatkunde der Palem-
bangsche Vorsten toe te schrijven, ten gevolge waar-
van het geen' vreemdeling werd vergund aan land te
wonen. Thans houden ook vele Europeërs hun verblijf
op rakits, van wege de meerdere luchtigheid en zin-
delijkheid. De voormalige kraton is in een fort her-
schapen, en sedert 1824, toen de Nederlanders het ge-
bied in handen kregen, heeft men in de stad goede
huizen gebouwd, die er te voren niet gevonden wer-
den. — De rivier heeft hier eene breedte van 1200 voet
en in het midden eene diepte van 8 tot 9 vademen.
Van half Mei tol half November doet zich te Pa-
lembang ebbe en vloed gevoelen, met een verschil in
den waterstand van 10 tot 16 voeten; gedurende het
overige gedeelte van het jaar gaat er een zware stroom
van wege het veelvuldige opperwater.
Indrapoera , met een fort, waar een Assistent - Re-
sident, of Gezaghebber, zijn verblijf heeft.
Monvara - Kompch en Lahat, met Nederlandsche
Civile Gezaghebbers.
In de noordwestelijke binnenlanden vindt men de
Koeboes. De wilde Koeboe is uiterst schuw, en leeft
bijna in den natuurstaat; doch het getal van deze is
gering. De andere Koeboes bewonen een dertigtal dor-
pen, en zijn het talrijkste omtrent de Batang-Leko.
Ten gevolge van de vroegere verovering van het
Palembangsche Rijk, door de Vorsten van Madjapahit,
is de Javaansche taal in gebruik gekomen. Uit eerbied
wordt te Palembang nog dikwijls die taal gebezigd.
Er bestaat, gelijk wij bl. 145 gezegd hebben, een
ontwerp, om Palembang en Benkoelen onder één be-
wind te vereenigen, en alsdan de hoofdplaats te vesti-
gen in de binnenlanden, van waar de gemeenschap met
'Benkoelen, zoowel als met Palembang, gemakkelijker
zou worden.
6.