Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
147-
lionderden voeten breedte verkrijgt. Even beneden die
stad vormt zij ondersclieidene eilandjes, ontvangt nog
meer toevoer van water, en ontlast zich, langs ver-
schillende armen, waarvan de voornaamste Soensang
heet, in Straat Banka. Gegravene vaarten vereeni-
gen op vele punten de voornaamste rivieren, zooda;
er door deze menigvuldige rivieren en spranken over-
vloedige gelegenheid bestaat tot binnenlandsche gemeen-
schap , en de landbouw hiervan, in vele opzigten,
voordeel trekken kan. In den regentijd worden, vooral
in de lagere vlakten, door den sterken toevoer van
water, de oevers der rivieren overstroomd.
Voortbrengselen. De willekeur, geweldenarij en
schraapzucht der Keizers of Sultans (de oudste zoon
voerde, althans in den laatsten tijd, den titel van
Sultan) onderdrukten landbouw en nijverheid, en ver-
wijderden nagenoeg allen handel. De Palembangers heb-
ben zich intusschen als bekwame en vernuftige arbeiders
in hout, ivoor, goud en zilver, ook in draad- en
drijfwerk, doen kennen. Van gespleten bamboes ver-
vaardigen zij sierlijke doozen; in ijzer en koper leveren
zij goed werk; hunne krissen en sabels zijn zeer ge-
zocht; zij bouwen smaakvolle groote en kleine vaartui-
gen voor de riviervaart. De vrouwen maken katoenen
en zijden kleedjes, sierlijk met zilver of gouddraad
doorweven, of met bloemwerk beschilderd. — De voort-
brengselen zijn : peper, stofgoud, doch minder zuiver
dan het Jambische stofgoud, rottan , bamboes , draken-
bloed , was, lakierhout (in China als reukwerk ge-
bruikt) , olifantstanden, benzoin, gambier en pinangno-
ten. — De handel, dien men drijft, bepaalt zich niet
alleen tot Java, maar strekt zich ook uit tot Riouw ,
Sinkapore, Puloe-Pinang, Siam en China.
Verdeeling. In Palembang en de binnenlanden; afdee-
lingen , welke door inlandsche Hoofden bestuurd worden.
De voornaamste plaatsen zijn:
Palembang. Deze hoofdstad van het voormalige Rijk
Palembang ligt aan de rivier Moesie, hier veelal
Soensang genoemd, op nagenoeg 20 mijlen afstands
van derzelver mond. Zij is de verblijfplaats van het
bestuur, dat in handen van eenen Resident en eenen
inlandschen Rijksbestuurder is. Ook is er eene Regt-
bank van burgerlijke en lijfstraffelijke regtspleging, uit
eenen President, eenen Secretaris - Fiskaal en verschei-
K 2 de-