Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
138-
Padang'Paudjatig, de hoofdstad vati Tana-Datar,
op korten afstand van Pager- Roeyong en nog geen
tien mijlen van Priamaji verwijderd, ligt aan de berg-
keten Sengalang, 2200 voet boven de zee. Er is
een Civiel Gezaghebber, nu Assistent - Resident, en een
Agentschap der Handelmaatschappij. De groote weg of
heirbaan, sedert 1833 van Padang en Priaman naar
de Bovenlanden aangelegd, gaat van de kust, over Ka-
joe-Tanam, op Padang-Pandjang, en opent daardoor
de gemeenschap met de forten in de Bovenlanden. —
Hieromstreeks zijn geheele beddingen rijke ijzererts en
magneet-ijzersteen, dat met het Zweedsche kan wedijve-
ren, op geringe diepte voorhanden en gemakkelijk te
verkrijgen is. In de bewerking is men nog veel ten ach-
teren.
Oudheden. In de Padangsche Bovenlanden, weinig
mijlen achter Padang en Priaman, moet men het mid-
delpunt van het Menang-Kahousche Rijk zoeken. Het
landschap Tana-Datar, achter Priaman, bepaald door
het meer der Tien - Kottas en dat van Simauwang,
schijnt eigenlijk de kern te zijn van dat eenmaal zoo
groot en zoo magtig Rijk. Daar ook is de oude hoofd-
stad Padang - Pandjang, of Priangan, geweest, en de
Menang - Kabouërs houden het voor eene eer, van daar
afkomstig te wezen. Niet geheel zeker is het nogtans,
of die hoofdstad moet gezocht worden, waar het te-
genwoordige Padang-Pandjang staat. Evenmin is het
nog uitgemaakt, of wel de eigenlijk gezegde Maleijers
uit datzelfde Menang-Kahou herkomstig zijn. Op-
merkelijk is het intusschen, dat juist in dit middel-
punt van het Menang - Kahousche Rijk die hooge
bergvlakten en bergkommen gevonden worden, welke
van 1500 tot 3000 en tot 3300 voet boven de zee ver-
heven zijn, en dat men daar onder de belangrijke bergen
ook den Merapi ontmoet, van wiens vroegere gewel-
dige uitbarstingen nagenoeg alle overleveringen van Su-
matra gewagen. Ook daar, op eene uitgestrektheid
van slechts weinig vierkante mijlen, worden de bron-
nen der rivieren gevonden, welke, na de Palem-
bangsche en Jambische rivier, de drie voornaamste
rivieren van Sumatra mogen genoemd worden; rivie-
ren, langs welke eene gemakkelijke gemeenschap met
de oostkust en de ten oosten gelegene eilanden is ge-
opend.
Een