Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
134-
omgeven, die zich mede als naalden verheiFen. Uit den
Sengalang loopen daarenboven, in verschillende rigtin-
gen, ravijnen OioUe wegen), waarvan de eene, noord-
waarts gaande, eene lengte heeft van omtrent 300 en
eene breedte van loo voet. De Merapi vertoont thans
drie kraters op eene vrij groote vlakte. De Pakoen-
tan-Bongsoe, of nieuwe krater, op het zuidwestelijk
einde van den bergtop alleen in werking, is laoo
voet wijd, heeft steile wanden en eene diepte van
welligt 500 voet. De bodem van den middelsten kra-
ter is droog, doch de oostelijke of oude krater in de
diepte met water gevuld. Een bergwand omgeeft aan
de noordoostzijde den top of kruin, waarop die drie
kraters gevonden worden, en verheft zich tot 560 voet
boven den mond der kraters.
Te midden van het Menang- Kabousche Gebergte vindt
men op de hoogten eenige dalen, met vele sporen van
vruchtbaarheid. Tusschen de bergen Bongsoe en Sago
is eene zeer vruchtbare vlakte, 1550 voet boven de
zee. De vlakte, waarin het fort Matoea of Matoewa
ligt, heeft eene hoogte van ongeveer 3300 voeten.
Het Agamsche bergvlak, door gebergte ingesloten, is
nagenoeg 3000 voeten hoog.
Kivieren en andere wateren. Men vindt niet weinig
beken, die in den droogen tijd op de westkust naauwe-
lijks de zee bereiken, maar in den regentijd tot belang-
rijke rivieren opzwellen, soms met bruisend geweld ne-
derstorten, watervallen vormen en , in de vlakte geko-
men , zich met onweerstaanbare kracht eenen weg
naar de zee banen. Uit de Padangsche Bovenlanden,
welke grootendeels van 1500 tot meer dan 3000 voeten
boven de zee verheven zijn, en daarenboven onderscheide-
ne bergen hebben , stroomen vele andere rivieren naar de
oostkust, die eindelijk, onder de benaming van Indragi-
rie , Kampar - Besaar cn Tabong, of Siak, zich met de
zee vereenigen. De Indragirie, welke op naauwelijks
10 mijlen afstands van de westkust in het Agamsche,
ter hoogte van nagenoeg3000voeten, ontspringt, vloeit,
langs Paya - Komba , met sterken stroom 'naar Alahan ,
gaat, onder den naam van Sinamang, naar Tandjong-Am-
patoe cn neemt daar, na de Siejoejong, Stmpoer en an-
dere rivieren ontvangen te hebben, den naam van Kwan-
tan aan, om denzelven later met dien van Indragirie te
verwisselen en, met nagenoeg oostelijken loop, onder
bei-