Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
woonlijk des morgens omstreeks tien ure door, sterft
weg met liet ondergaan der zon, en wordt een paar
uren daarna door den landwind vervangen, die tot den
dageraad blijft waaijen.
De hitte is veel minder groot, dan men zoo nabij en on-
der de linie kan vooronderstellen. De dampkring wordt
merkelijk verkoeld door de menigvuldige bergen, en op
den rijzenden grond bereikt men aldra eene meer ge-
matigde luchtstreek; op de bergen is het des nachts luch-
tig en zelfs koel; men heeft op de kruin van sommige
bergen, niet enkel tusschen de keerkringen , maar genoeg-
zaam onder de linie, weieens ijs gevonden. Hoezeer
de zonnestralen regtstandig nederdalen, zoo wordt hier de
lucht aangenaam verfrischt, niet enkel door de zeewinden ,
en de van het gebergte komende landwinden, maar ook
door de menigvuldige rivieren en spranken, die in de
bergen haren oorsprong hebben, door de vlakten heen-
kronkelen, en het land in allerlei rigtingen van het noo-
dige water rijkelijk voorzien.
III.
MENSCHENSTAMMEN or BEWONERS.

Het getal der bewoners van den Indischen Archipel,
zelfs bij gissing, op te geven, is zeer moeijelijk. Op
vele eilanden toch, hoezeer tot het Nederiandsche Ge-
bied gerekend , koraen nimmer Nederlanders ; op andere
is men nooit, of slechts vlugtig, tot in de binnenlanden
doorgedrongen; elders is mede aan geene oppervlakkige
raming gedacht: hoe nu zal eenige opgave, ook bij
nadering, juist kunnen zijn? Zelfs daar, waar eene op-
gave van het aantal der hoofden van huisgezinnen gevraagd
of eene telling voorgeschreven is, kan men zich verze-
kerd houden, dat het opgegeven getal steeds, soms vrij
aanmerkelijk , beneden het ware getal is. Het is te al-
len tijde gebleken, dat Districtshoofden, Orangkayas
(Oudsten) of anderen, met de telling belast, zich hui-
verig hebben betoond, om het ware getal hunner onder-
hoorigen op te geven.
Wel-