Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
127-
waarin het verbhjf is van den Radja. Hieronistreeks
groeit veel peper, en er is handel op Batavia, Straat
Malakka en de Golf van Bengalen. De Radja, van
moederszijde van Europesche afkomst, is onafhankelijk
van Atsjeen; ook houdt men hem voor den magtigsten
na den Sultan van Atsjeen.
Sinkel, Singkol of Sjinkel, aan eene breede fraaije
rivier, hoogop bevaarbaar, langs welke, op palen, goede
huizen gebouwd zijn. De noordelijke mond der rivier
is door eene bank gesloten. De zuidelijke mond, die
zich bezuiden den Hoek van Sinkel in zee ontlast, is
breed, en heeft, bij vloed, diepte genoeg voor vrij
groote schepen; op eene bank, die aldaar van den noor-
derwal in zee uitsteekt, gaat eene zware branding. Er
is handel, ook veel met Puloe- Banjak, in benzoin,
kamfer, peper, stofgoud, tripang, was, rottan en klap-
pernoten. Kustvaartuigen worden gebouwd van het tim-
merhout, dat langs de rivier uit het binnenland aange-
voerd wordt. De Radja schijnt zich sedert lang als
onafhankelijk van Atsjeen te handhaven; hij had zich
in de ly^e eeuw vrijwillig aan de Oostindische Maat-
schappij onderworpen.
Het voormaals magtige Atsjeensche Rijk heeft, hoe-
zeer inwendig verzwakt en als in nietigheid weggezonken,
met de onderhoorige kleine Rijken, nog steeds eene
groote uitgestrektheid. Van deze Rijken (op de westkust
tot aan Taroemen bij Sinkel) wordt weinig anders ge-
trokken dan de jaarlijksche geschenken of huidegiften
(yasiels), welke, door een daartoe afgezonden gewa-
pend vaartuig, op eene vaak willekeurige wijze geïnd
worden.
De Atsjeners verschillen van de eigenlijke Maleijers;
zij zijn, volgens sommigen , van de Kust van Mala-
bar afkomstig, en zouden Orang-Kling (Mooren)
heeten. Hunne verraderlijke, moordzuchtige en wellus-
tige inborst is algemeen bekend. Zij zijn goede scheeps-
bouwers en zeelieden, verstonden zich voorheen op het
temmen en afrigten van olifanten, zijn niet onbekwaam
in katoen- en zijdeweverij, en uitmuntende werklieden
in goud- en zilverdraad. De bevolking bestaat, behalve
uit Atsjeners, . uit Maleijers en Pedirezen, die, wat hun-
ne zeden, doch niet wat hun uiterlijk aangaat, met de
Atsjeners zijn gelijk te stellen. De Pedirezen zijn grooten-
deels landbouwers, en komen vaak bij duizenden naar de
west-