Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
120-
alsmede Banka en Billiton, zullen afzonderlijk behandeld
worden.
d. De Zutphensche Eilanden, nabij den Farkenshoek,
waarachter eene veilige ankerplaats is, van welke gebruik
gemaakt wordt door schepen, die uit China komen en
niet voornemens zijn Java aan te doen; Slebese of Ta-
marinde-Eiland; Saboeko; verscheidene eilandjes in de
Lampongsbaai; Soenda oï Goendie, door Straat Goendie
van Tandjong-Tekoes gescheiden, en Keizers - Eiland
of Tapoenang,
S 14. Bifin&mvateren. Dit bergachtige eiland heeft
vele rivieren en spranken; doch daar het gebergte niet
verre van de westkust verwijderd is, zoo vindt men on-
der de rivieren, welke ter westkust in zee stroomen,
weinige, die aanmerkelijke lengte, diepte of breedte ver-
krijgen; ook zijn de meeste door eene baar of bank
voor de zeevaart gesloten. Echter verdienen de Sinkel
en de Tapoes vermelding; beide doorloopen eene groote
uitgestrektheid grond. De Sinkel ontspringt diep in het
hooge bergland, en heeft, volgens sommigen, eene
lengte van 80 tot ico mijlen, neemt verschillende rivie-
ren in zich op en is tot zeer ver binnen's lands be-
vaarbaar. Aan de oostzijde des eilands vertoont het
zich anders. De bergen zijn daar meestal op vrij groo-
ten afstand van de kust verwijderd; de spranken en
beken vereenigen zich, waardoor aanzienlijke rivieren en
stroomen ontstaan, die zelfs in het drooge jaargetijde
genoegzame diepte behouden, om hoogop bevaarbaar te
zijn; evenwel vindt men ook op de oostkust banken
aan de riviermonden, die de scheepvaart belemmeren.
De voornaamste rivieren, welke op de oostkust in
zee vloeijen, zijn: de Soensang of Moeste, ruim 100
mijlen lang, die in het gebied van Benkoelen ontspringt;
deze neemt het water van de Lamatang , Ogan,
Rembang, Blita en andere rivieren, die bijna alle uit
de westelijke bergketen afkomen, op, is reeds eenige
dagreizen boven Palembang bevaarbaar, en heeft op
verscheidene plaatsen eene breedte van 2000 voet,
met genoegzame diepte voor oorlogsschepen; — de
Jambi, die onder andere de Maranoempa of Moe-
viara - Kampan en de Dendang opneemt; — de In-
dragirie, die, omstreeks den Merapi, op weinige
mijlen van de westkust aanvangt , in haren loop
langen tijd den naam draagt van Kwantan of Kwan-
tong,