Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
117-
op , dan men wegens uitgestrektheid of bevolking zou
vermoeden. Vroeger werd algemeen in de nabijheid
der kusten peper gekweekt; thans geschiedt dit nog
hoofdzakelijk' langs de westkust, waar men ook gain-
bier bouwt. Het eiland is bijzonder rijk aan goudmij-
nen ; weshalve men zich, in de bergachtige streken,
vooral benoorden de linie, veel met goudwassching be-
zig houdt. De rijstbouw is gering, omdat de inlan-
ders te traag zijn tot het behoorlijk aanleggen van sa-
wa- of natte rijstvelden. Zij vergenoegen zich, veelal
10, 20 of 30 huisgezinnen te zamen, om eene plek
gronds uit te zoeken, daar ruwe hutten op te slaan,
en drooge of tipar - velden, hier ladangs genoemd,
aan te leggen, waartoe het hout slechts een weinig
wordt afgebrand. In het volgende of tweede jaar
kiezen zij weder een ander stuk gronds voor ladangs ,
tot het planten van padie en jagong. Zij leggen
zich weinig toe op koffijteelt. Andere voortbrengselen,
die hier aangekweekt worden, zijn benzoin, kamfer,
gom- of stoklak en andere gommen, kassia en lakier -
hout (als reukwerk in China gebruikt). Nog verza-
melt men vvas, eetbare vogelnestjes, olifantstanden,
tripang en dammer (zekere hars, ook in gebruik bij
het teren der schepen). Scheepvaart en visscherij
houden een deel der bevolking bezig; terwijl op de
oostkust en de eilandjes daaromstreeks velen een be-
staan zoeken in de zeerooverij.
§ ii. Kapen. Langs de westkust, beginnende ten
zuiden, en naar het noorden, en zoo verder, rondom
het eiland gaande, vindt men aan:
a. De westkust:
Vlakke hoek of Hoek van Blimbing, Klip Pingang.
Hoek B ander , Manna, Puloe-punt of Buffelskaap,
Hoek van Indrapoera, Kaap Massang, Lalloe of
Laboean-Laloe, Karakara, Batoe- Mamoe, Batoe-
Bar roe of Batoe - Boeroe - hoek, Kaap Sitoe oï Sinkel,
Soeloe, Monkier , Felix of Oedjong - Sarrie, Boboang
en Kosa; aan
b. De noordkust, beginnende met de noordwestpunt:
Koningshoofd of Kaap Atsjeen, Kaap Pedro, Ba-
toe Patie , Pedirkaap, Meerdoe-punt, Hoek Kadja,
Passangan -punt, Rotsige - Diamantspunt 0 f Tanjong -
Perlak of Noordoosthoek; aan
H 3