Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
113
het overige echter toont de Batta meer moed en
volharding dan zijne naburen, en is een trouw bond-
genoot. — De Lamponger staat op eenen lagen trap
van zedelijkheid en beschaving; hij erkent weinig het
gezag van eigene landgenooten, en verbeeldt zich
in het algemeen van hooge afkomst te zijn. Hij is
traag , trotsch en vol verraderlijke treken; echter
schijnt het, dat, bij barbaarschen bloeddorst, roof-
zucht en domheid, nogtans hier en daar trekken van
vroegere beschaving doorschemeren. Velen gelooven,
dat de Lamponger en de Soendaner op Java van den-
zelfden stam zijn; doch of zij ten oosten of ten wes-
ten van Straat Soenda te huis behooren , is onzeker, —
De Redjangs of Redjangers, die in de nabuurschap van
de Lampongsche districten wonen, zijn werkzamer
en beschaafder, en staan in zedelijkheid verre bo-
ven den Lamponger. Zij achten zich van Javaan-
sche afkomst te zijn, en zouden in dat geval van
den Hindoeschen stam wezen. — Sommigen beschouwen
den Redjanger met den Palembanger van gelijken oor-
sprong; anderen rekenen de Palembangers tot de Ma-
leische bevolking. — Van de Padries is reeds bl. io8
gesproken. — In de bosschen en langs de rivieren in
het noordwesten van het Palembangsche gebied, ont-
moet men de Koeboes, deels in dorpen geregeld
bijeen wonende, deels, even als de Goegoes, ge-
heel afgezonderd in slecht te zamengevoegde hutten
of zelfs in boomen huizende, en vaak van verblijf-
plaats veranderende; deze laatste zijn zeer schuw.
Zooverre men weet, kleeden die in de dorpen zich
op de Palembangsche wijze; de wilde Koeboe loopt
geheel naakt. Landbouw kennen de Koeboes niet;
was, honig, olifantstanden, rhinoceroshorens , benzoin en
drakenbloed strekken tot ruilhandel tegen grof lijnwaad,
potten, pannen en tabak; zij eten alles, wat eetbaar is ,
zelfs olifanten, rhinocerossen, apen en slangen. — De
Orang Aboeng is weinig meer, dan door zijne wreed-
heid en woesten aard bekend. — De bewoner der kleine
eilanden, langs de westkust van Sumatra verspreid, is
van den Maleijer geheel onderscheiden; hij is zelfs klei-
ner dan de Javaan, doch blanker dan deze of de Malei-
jer; men wil zelfs overeenkomst tuschen hem enden Chi-
nees opmerken. Dit menschenras, de Niassers, heeft
een' platten neus met groote vleugels, breeden mond,
H klei-