Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
112
§ 5' Imvomrs. De bewoners van dit eiland onder-
scheiden zich in Maleijers, Atsjeners, Battas, Red-
jangers, Lampongeis, Padries en de wilde stammen
Orang Koeboe, Orang Goegoe en Orang Aboeng.
Hoezeer de Maleijer (zie bl. 9) niet over het ge-
heele eiland dezelfde is, en zijn karakter zich hier
en daar wijzigt, zoo zijn nogtans de algemeene trek-
ken in geenen deele gunstig. Hij is, bovenal langs
de stranden, uiterst lui, verraderlijk, overgegeven aan
moord, menschenroof en dieverij, verslaafd aan opi-
um , aan geestrijke dranken, aan hanegevechten en
ander dobbelspel. Heeft hij verlies in het spel on-
dergaan, dan is hij geheel niet kiesch in de wijze,
om het te herstellen. Door de joejoer (vrouwenkoop-
prijs) eigenaar van zijne vrouw en kinderen, verkoopt
of verpandt hij ze, om aan zijne speelzucht te vol-
doen , en verkoopt eindelijk zich zeiven tot pandeling.
Die ondeugden zijn bij de Dorps- en Districtshoofden
meer ontwikkeld dan bij den gemeenen man; zij zijn
minder algemeen in de binnenlanden dan op de kus-
ten. Den Atsjener geldt deze ongunstige teekening bo-
venal. Voorheen een werkzaam handelaar, bezocht hij
de kusten van Koromatidel en Malabar; nog toont hij
als koopman meer werkzaamheid en scherpzinnigheid
dan andere Sumatranen; doch hij is voor het overige
zeer traag. In gedaante en kleur van huid onder-
scheidt hij zich van den Maleijer en Batta. De Battas
zijn uiterlijk minder onbeschaafd dan velen vermee-
nen; wat zij echter in waarheid zijn, kan het onder
hen bestaande afschuwelijke gebruik bewijzen, om
overspelers, landverraders en krijgsgevangenen levend
het vleesch uit het ligchaam te snijden, en het raauw,
of een weinig geroost, onder het bedrijven van zekere
plegtigheden, te verslinden. Ook Christenzendelingen
zijn de slagtofTers van deze onmenschelijkheid geworden,
die, naar het verhaal van sommigen, zelfs op ouden
van dagen wordt uitgestrekt. Die de zuidelijke streken,
zoo als Mandahding, en de oostkust bewonen, zijn
minder aan deze afgrijsselijke gewoonten overgegeven,
dan die meer noordwaarts hun verblijf hebben, al-
waar ook slaven, even als vee, om te slagten ver-
kocht worden. Zeker is het, dat de andere Suma-
tranen , inzonderheid de Maleijers, van de Battas als
menschenëters {fdassie) een afgrijzen hebben. Voor
het