Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
seling treedt hij buiten zijne oevers; met bliksemsnel-
heid stijgt de zee soms ter hoogte van 40 tot 60
voet, overstroomt het naburige land, en treedt met
even groote snelheid binnen hare gewone grenspalen
terug, alles met zich slepende en menschen , vee, hui-
zen, zelfs zwaar geboomte en geschut, in hare kolken
begravende.
Welligt worden de werkplaatsen der Vulkanen door
de zee in beweging gezet, en zal men het aan die ge-
meenschap met de zee moeten toeschrijven, dat de trech-
ter van een' Vuurberg zich met water vult, en de top-
pen dier bergen in grootere of kleinere meren veran-
deren. Die krater-meren, waarvan het water met zvvavel-
deelen cn dergelijke Vulkanische stoffen bezwangerd is ,
bestaan denkelijk sedert korter tijd, dan die weinige
meren, waarin het water zoet en drinkbaar is.
Onder de kleinere eilanden, vooral in het oostelijk ge-
deelte van den Archipel, vindt men er, die door de ko-
raalpolyp zijn gevormd. De arbeid van millioenen dezer
wezens brengt eindelijk koraalriffen en klippen uit
het diep tot aan de oppervlakkte der zee; deze laat er
planten en slib achter; de kokosnoot, die in het zoute
water welig tiert, spoelt er aan , groeit tot eenen boom ,
die den verwaaiden vogel tot toevlugt verstrekt: —
en ziedaar, het kale rif wordt langzamerhand met vrucht-
bare aarde bedekt, en in een lagchend eilandje herscha-
pen , dat, indien het zoet water bezat, ter bewoning
zoude uitlokken.
II.
jaargetijden en winden.
Er zijn twee jaargetijden, moussons genoemd, namelijk
de drooge of goede, en de natte of kwade mousson. De
oostewind waait gedurende het drooge-, en de westewind
gedurende het natte jaargetijde. Eigenlijk is de ooste-
wind die bestendige wind, welke, tusschen de keerkrin-
gen , door de wenteling der aarde, tegen het oosten in,,
wordt