Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hl
boomvruchten saprijker en geuriger dan op het naburi-
ge Java.
Ondertusschen vindt men cr vele boomen en veldvruch-
ten , die nog niet bij ons bekend zijn, alsmede vele
geneeskrachtige kruiden; wij noemen hier slechts :
a. Boomen. Kamfer, benzoin , kassia (grove of
wilde kaneel), sapan, kalambach of lakier (welrie-
kend hout) en koffij; — heesters , planten enz.: peper,
gambier, waarvan de terra japoniea (verdikt sap , dat
bij de betel gebruikt wordt), de patma of patma
Rafflesia (*), eene woekerplant, drakenbloed , stoklak
en andere gommen.
b. Dieren. Olifanten, neushoorns of rhinocerossen
met één' en met twee horens, tijgers, rivierpaarden,
tapirs (olifant-zwijn) (f) , steenbokken, luiaards,
stinkbokken , bekende en onbekende katten- of tijgersoor-
ten , zeer kleine herten of reebokjes , apen, miereneters,
muizen en ratten; — vogels: koewans of fazanten van
Sumatra, argussen met eenen staart van negen voet
lang, Juno-vogels of Lampongsche paauwen, zeer
schuw en niet tam te maken , kazuarissen, rhinoceros-
of neushoornvogels , ooijevaars, velerlei vleêrmuizen ,
en onder deze de kalong; — zeevisch: zaagvisch , ki-
tang, welke voor zeer lekker wordt gehouden, zeer
groote alikruiken; ook riviervisch, waaronder de soem-
ma, eene zalmsoort.
c. Delfstoffen. Goud (menigvuldig), koper, tin,
ijzer, steenkool, aardolie (jiaphtd) , zwavel, zeep-
aarde, verf-aarde, versteeningen , koraal enz.
§ 5.
(*) Deze woekerplant is het eerst in de binnenlanden
van Benkoelen ontdekt: de kelk is 3 voet over kruis wijd en 9
duim diep ; de düue der bladen is van i tot | duim; hij zou
15 oude pondeii wegen en lè gallon vocht kunnen bevat-
ten. Eene kleinere soort der patma is sedert door Dr.
Blume op Java of op Kambangan ontdekt, en Brug-
mansia-Zippelii genoemd, ter eere van Prof. Brug-
man s en den Natuuronderzoeker Z i p p e 1 i u s, die Honu-
lanus van den plantentuin te Buitenzorg is geweest.
(f) De tapir staat, volgens sommigen, tusschen den oli-
fant en het zwijn, volgens anderen tusschen den olifant
en het rivierpaard in. Hij is weinig grooter dan het zwijn;
de bovenkaak heeft twee slagtanden, en de bovenlip ver-
lengt zich tot eene kleine slurf.