Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
116
Java; waardoor het zich laat verklaren, hoe dt ze-
den dier volkeren zich eenigermate naar de Javaan-
sche zeden geplooid hebben, en ook de JavaansCie
taal aldaar bekend is en zelfs gemeenzaam gesprokei
wordt.
Naderhand bragten de Arabieren hunne Godsdienst
op Sumatra. Eerlang beheerschten Arabische Vorsten
die gedeelten, waar de meeste beschaving gevonden
werd, en beschaving en welvaart haar toppunt hadden
bereikt, want van toen af dagteekent de achteruit-
gang.
Geene andere Godsvereering dan die van den hlam
schijnt in Menang-Kabou te zijn doorgedrongen , alhoe-
wel ook hier, zoowel als elders op Sumatra, en
algemeen in den Archipel, deleer van Mohammed
zeer was verbasterd en vervalscht geworden. De be-
ginselen der Wechabieten zijn, sedert den aanvang
dezer eeuw, door drie van Mekka terugkomende
Priesters, welke in het Menang - Kabousche te huis
behoorden (Hadjie Miskien, Hadjie Piabang
en Hadjie Soeman ik), op het eiland gebragt. Zij
hebben aan die beginselen ingang weten te verschaffen,
en de sekte der Padries of Padaries (Godsdienstleeraar,
Priester) of Orang-Paties (witte mannen, van wege
hunne kleeding, die wit is, daar die der andere bewoners
van Menang - Kabou gewoonlijk blaauw is) heeft zich
op Sumatra gevestigd. Onder het voorwendsel van de
Godsdienst van Mohammed tot hare vroegere zui-
verheid te willen terugbrengen, hebben zij de heersch-
zuchtige ontwerpen zijner vroegste volgelingen doen
herleven, en zich van dweepzucht en heerschzucht,
evenzeer als van het zwaard, als wapenen bediend.
Zij verbieden hanegevechten, het rooken van opium,
het kaauwen van betel enz. en zijn zeer gezet op
wasschingen en gebeden. In het Agamsche, in de
Vijftig-Kottas en in de vallei van Alahan-Panjang
vestigden zij zich spoedig door de wapenen, en ken-
merkten eerlang hunne overwinningen door bloeddorst
en verwoesting. De Vorsten van Menang - Kabou, wier
Rijk reeds sedert eenigen tijd was verdeeld, zoodat
zij slechts ■ het gebied over Pager - Roeyong of Tana -
Datar hadden behouden, moesten ook voor de Pa-
dries bukken; — het Lintouwscke was hun onderwor-
pen, en het fraaije landschap Rauw moest eenen vij-
an-