Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
107
den.strekt niet weinig tot versterking van dat gevoelen.
Soi'raigen meenen ook, dat de Dattas met de eigenlijke
bfwoners van Celebes en Borneo stamgenooten zoii-
(Cn zijn; door anderen wordt dit in twijfel getrok-
ken. De Maleische bevolking, die, naar veler oor-
deel, van het Malelsehe Schiereiland of het schierei-
land Malakka naar Sumatra zou zijn overgekomen,
is, volgens de overleveringen (vervat in het boek,
getiteld Sidjara Malayoè), uit de bovenlanden van
Menang- Kabou , het voornaamste en reeds genoemde
Rijk der binnenlanden, afkomstig, en de volksnaam
aan den naam der rivier Malayoe aldaar ontleend.
Voor dien oorsprong wil men het bewijs vinden in
de omstandigheid, dat Menang -Kabou binnen 'slands
is gelegen , en de Maleijers aldaar mede binnen
's lands worden aangetroffen , maar zich overal el-
ders , op het schiereiland Malakka en op de ver-
schillende eilanden, slechts op de kusten hebben ge-
vestigd.
Volgens de meesten zijn de Atsjeners geenszins van
Sumatra, maar van het vaste land van Azië herkoms-
tig. Men wil, dat zij van het schiereiland Malak-
ka zouden zijn overgekomen ; anderen houden hen
met de Nikobaren van denzelfden oorsprong, terwijl
weder anderen meenen, dat zij uit het Malabaar-
sche Schiereiland zouden afstammen. Na zich deels
" met de oorspronkelijke bevolking te hebben ver-
mengd, zijn zij meer en meer in vermogen toege-
nomen in het noorden van Sumatra; zij hebben
zich naar het zuiden, vooral langs de kusten, uit-
gebreid, ook op de westkust van Malakka, zoodat
in de eerste helft der 17de eeuw de magt der Sul-
tans van Atsjeen zeer hoog gestegen was, en zich
meer en meer over Sumatra's kustgebied scheen te
zullen uitstrekken.
De bewoners van het zuidelijke Sumatra moeten,
zoo eenigen willen, van denzelfden stam zijn, als de
bevolking aan de andere zijde van Straat Soenda, welker
Vorsten langs de beide oevers van gemelde Straat het
gebied voerden , en wier magt langs de westkust zich
uitstrekt tot daar, waar het gezag van Atsjeen erkend
werd. De oostkust van Sumatra, inzonderheid ten
zuiden van Straat Malakka , kwam , door verove-
ring, in handen van den Hindoéschen Vorstenstam op
Ja-