Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 1
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Te Leyden, Deventer en Groningen: bij D. Du Mortier en zoon, J. de Lange en J. Oomkens, 1843
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 258 F 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204606
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de aardrijkskunde van Nederlands Oostindische bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
woorden, van de noordpunt van Sumatra tot in de
Torresstraat over eene lengte van 920 mijlen, en van het
eilandje Barou tot en met ßalambatigan over eene breed-
te van 330 mijlen (♦).
Op de groOtere eilanden vindt men graniet - rotsen en
andere primaire of secondaire aard - formatiën, met ver-
scheidenheid van delfstoffen, doch ook niet weinig kalk-
en koraal-rotsen. Het is uitdien hoofde twijfelachtig,
of ze met der daad alle eertijds met het vaste land van
Azië zijn vereenigd geweest en daarmede een geheel heb-
ben uitgemaakt. Dit is meer waarschijnlijk b. v. ten
opzigte van Sumatra, dat door de met klippen bezette
Straat yan Malakka van het Maleische Schiereiland
wordt gescheiden , dan ten aanzien van Borneo, dat,
alhoewel ruim 25000 vierkante mijlen groot, door eene
zee van honderd en meer mijlen wijd, van het naaste
vaste land is verwijderd. — Aan den anderen kant wordt
de westkust van Sumatra, waar zij door geene eiland-
jes is gedekt, zoowel als de zuidkust van Jaya, on-
middellijk door den Indischen Oceaan bespoeld, en heb-
ben alzoo beide eilanden van den golfslag veel te lijden,
hetgene het vermoeden wettigt, dat het land aldaar door de
zee is verzwolgen , tot op de plaatsen, waar de rotsige oe-
vers het verder indringen van den Oceaan hebben verhin-
derd. — Ook schijnt het vermoeden, alsof voormaals
die eilanden tot het vaste land behoord hebben,
wedersproken te worden door de omstandigheid, dat
de oevers van de Jayasche of Soendasche Zee, en zelfs
de oevers der daarmede in verband staande Karima-
ta-Zee, Straat van Makasser enz.,, door aanslibbing
bestendig land winnen. Sommige gedeelten der noord-
kust van Java en van Madoera, alsmede der westkust
van Borneo, leveren van die aanslibbing vooral treffende
blijken.
Wanneer men daarenboven in aanmerking neemt, dat,
volgens sommiger gevoelen, niet enkel de koraal- en kalk-
rotsen, maar ook in het algemeen alle Vulkanische ge-
bergten, in de kolken van den Oceaan geboren wor-
den, en ten gevolge van groote beroeringen of omwen-
telingen, in die geheimzinnige diepten voorgevallen, boven
de
(*) V)^Kokos- deerde Engelschen ook Keeling-Eilanden
genoemd, welke mede onder Nederlandsch Gezag staan , liggen op
ongeveer 12° zuiderbreedte, en derhalve buiten deze oppervlakte.