Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
89
Art. 22.
onderwijs tot enkele gevallen beperkt. Die wet be-
hoort alleen te waken tegen willekeur en misbruik
van magt. Dat een der gevallen van ontslag bepaaldelijk
wordt genoemd, geschiedt alleen omdat de gevolgen van
dat ontslag moeten worden vermeld; bestond die reden
niet, dit geval zou evenmin genoemd zijn als de andere,
welke insgelijks tot ontslag kunnen leiden. (Mem. v. Toel.
van 30. Dec. 1855.)
(d) In elk geval schijnt het hoogst onraadzaam, de
mogelijkheid te doen geboren worden, dat een onderwij-
zer, die door een besluit van den Gemeenteraad ontzet is
van zijnen post en op wien dus het merk der veroordee-
ling rust, ten gevolge der niet goedkeuring van Gedepu-
teerde Staten, aan het hoofd der school wierd gehand-
haafd. Zoodanig onderwijzer zou in zijne betrekking geen
nut meer kunnen stichten. Zoo hier de tusschenkomst
van Gedeputeerde Staten behouden moest blijven, behoorde
althans de een of andere uitweg te worden gevonden,
opdat die tusschenkomst plaats had vóór het besluit van
ontzetting daar was. Maar zulk een uitweg is bijna niet
denkbaar, en het is dus verkieslijk, geheel de tusschen-
komst te laten vervallen. Daar tegen werd nu wel aan-
gevoerd , dat zoo doende geen waarborg bestaan zou tegen
vooringenomenheid of willekeur van den Gemeenteraad;
doch men antwoordde, dat het hier dan toch eigenlijk een
geheel persoonlijk belang geldt, waarbij de deugdelijkheid
van het gemeente-onderwijs niet betrokken is, en dat de
bedoelde waarborg ook voor verre de meeste andere amb-
tenaren niet bestaat. (Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(d) Het is geenszins te vreezen, dat de Gemeenteraad
ligtvaardig of zonder afdoenden grond tot het ontslag zal
besluiten. Het ligt niet in onze zeden, om, waar het de
verwijdering van eenen ambtenaar geldt, met drift of over-
ijling te werk te gaan. (Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(d) Er moet een waarborg wezen om den openbaren
onderwijzer te beveiligen tegen willekeur. Wierd daarte-
gen niet gewaakt, de onderwijzer had slechts, welligt bui-