Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
87
Aet. 22.
voor de ongepaste verwaarloozing van dit advies. (Bijbl.
1857, bladz. 202, 1' Kam. der St.-Gen.)
(a) Alle bij de keuze van den hoofdonderwijzer belang-
hebbenden zijn alzoo in de gelegenheid, zich met de can-
didaten bekend te maken. (Mem. v. Beantw. van 16.
Junij 1857.)
(a) Dispensatie van vergelijkende examens kan niet
worden verleend. Bepaalde gevallen, in de wet te vermel-
den , waarin dispensatie kan worden gegeven, is ondoen-
lijk. Beter is het alle aanleiding tot klagten over partij-
digheid en willekeur af te snijden. (Mem. v. Beantw. van
16. Junij 1857.)
(a) Bedenkingen van welken aard ook , dat namelijk
floreenpHgtigen [in Friesland] niet meer tot de keuze van
een' onderwijzer mogen mede werken, en daaróm met het
verstrekken van gelden, afkomstig uit kosterij goederen,
zullen ophouden, mogen geene aanleiding geven, om de
wet op dit punt te wijzigen, of daarin eene uitzondering
te brengen, in strijd met haar beginsel, dat de keuze van
de onderwijzers, uitsluitend door den Gemeenteraad ge-
schiedt. (Mem. V. Beantw. van 16. Junij 1857.)
(b) Dat de benoeming der hulponderwijzers door den
Gemeenteraad dezen veel last en moeite zal veroorzaken,
meent de Regering te mogen betwijfelen. De raad ont-
vangt eene voordragt van drie personen en doet daaruit
eene keuze; de last en moeite aan die handeling verbon-
den kunnen bezwaarlijk van eenig belang wezen. In het
stelsel dezer wet kon de benoeming niet wel aan den
hoofdonderwijzer worden opgedragen. (Mem. v. Beantw.
op het Versl. 1° Kam. der St.-Gen. van 9. Aug. 1857.)
(b) De schoolopziener is, zoo hij zijne betrekking naar
eisch vervult, met al de aankomende onderwijzers in zijn
district, van nabij bekend. Hij zal beter dan iemand,
beter zelfs dan de schoolonderwijzers, weten, welk jonge-
ling voor eene openvallende hulponderwijzersplaats het
meest geschikt is. Zijne voordragt zou hier vooral te
stade komen. De Gemeenteraad zou in menig geval hem