Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
80
Art. 21.
Art. 21. Om als hoofd- of hulponderwijzer benoemd
te kunnen worden, wordt vereischt het bezit:
a. eene acte van bekwaamheid tot het geven van
schoolonderwijs;
b. van een getuigschrift van goed zedelijk gedrag,
afgegeven door het dagelijksch bestuur der gemeente of
gemeente, waar de bezitter gedurende de twee laatste
jaren heeft gewoond.
a en 5 De Regering kan niet inzien, waarom een vreemde-
ling minder dan een Nederlander aan dat vereischte zou kun-
nen voldoen; hij heeft, even als deze, gedurende twee
laatste jaren ergens gewoond, en kan dus van het bestuur
dier plaats of plaatsen bewijzen van zijn goed zedelijk ge-
drag verzoeken. Dit moge welligt voor hem eenige meer-
dere moeijelijkheid , eenig langer oponthoud veroorzaken ,
maar mag hierin eene reden gelegen zijn om van hem
minder te eischen ? Is het geoorloofd op dit punt aan
vreemdelingen een voorregt te geven boven Nederlanders ?
De Grondwet vordert van een ieder, die onderwijs wil
geven, bewijzen van zedelijkheid en laat geene uitzonde-
ring toe. Stond het vrij van dit voorschrift af te wijken,
het zou eer kunnen wezen ten gunste van ingezetenen,
want naar hunne zedelijkheid kan gemakkelijker onder-
zoek worden gedaan dan naar die van vreemdelingen.
De eischen kunnen ten aanzien van dezen niet te streng
zijn, waar het eene zoo gewigtige zaak als de zedelijk-
heid geldt. (Mem. v. ïoel. van 30 Dec. 1855.)
a en i "Wanneer men tot het geven van lager onderwijs in
eene school vordert: a. van bekwaamheid en b. van goed
zedelijk gedrag, dan zal het wel niet twijfelachtig wezen,
dat aan beide gelijke waarde wordt gehecht, en dat het
bewijs van goed zedelijk gedrag, al wordt dit nadat van
bekwaamheid genoemd, daarom niet als een aanhangsel