Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
75
Art. 19 en 20.
plaatselijke behoeften en omstandigheden kunnen in acht
nemen. (Mem. v. Beantw. van 16. Junij 1857.
(g) Het stelsel (van een veranderlijk inkomen boven het
minimum) kan worden toegepast. De Gemeentebesturen,
hun voordeel vindende, in de toepassing om een verander-
lijk inkomen te geven, boven of in verband met de vaste
jaarwedde, zullen in de gelegenheid zijn daaraan gevolg
te geven. De wet snijdt hun daartoe de gelegenheid niet
af. De Regering wenscht niet het stelsel van verander-
lijk inkomen imperatief in de wet voor te schrijven , maar
laat het over aan de Gemeentebesturen om er al of niet
gebruik van te maken. (Min. v. binnenl. zaken, Bijbl.
1857, bladz. 1055.)
(g) De toekomst van het openbaar lager onderwijs is
voor een goed deel afhankelijk van de vraag, of de on-
derwijzer door een toereikend inkomen in staat wordt
gesteld, zich met al de krachten van zijnen geest aan
zijne moeijelijke taak te wijden. (VoorL Versl. van 22.
Mei 1855.)
Art. 20. In gemeenten waarin, wegens de uitgebreid-
heid van haar grondgebied bij verspreide bevolking, een
grooter aantal scholen vereischt wordt dan anders noo-
dig zou zijn, kan, onder goedkeuring van Gedeputeerde
Staten, aan het hoofd van eene of eenige dier scholen
een hoofd- of hulponderwijzer geplaatst worden, wiens
jaarwedde ten minste ƒ 200 bedraagt.

Dit art. is in de wet opgenomen, op voorstel van den lieer
\T. K. VAN iiOëVELL, lid van de Tweede Kamer der Staten-
Generaal, in strijd met de meening der Regering. Hij zegt
tot toelichting het volgende:
Ik wil in die zoogenaamde bijscholen het onderwijs niet
in dien vernederen toestand laten, waarin het zich thans