Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
71
Art. 19.
te betwijfelen is, of eene andere regeling bijval zou vin-
den. (Mem. V. Toel. van 21. Febr. 1857.)
Het minimum (van ƒ 400) kan niet wel lager gesteld
worden, wil men de onderwijzers voor broodgebrek be-
veiligen , en zoo er eene klasse van ambtenaren is, die
op zoodanigen maatregel van billijkheid en tevens op een
blijk van belangstelling aanspraak kan maken, het is voor-
zeker die der onderwijzers, aan wie zulke gewigtige belan-
gen zijn toevertrouwd. Het geldt hier eene duurzame
regeling van het onderwijs, en de gelegenheid van het
lot der openbare onderwijzers te verbeteren, zal zich niet
zoo spoedig weder aanbieden. (Mem. v. Toel. van 21.
Febr. 1857.)
(g) De Eegering erkent, zich vooral de vraag te heb-
ben voorgesteld, hoeveel een onderwijzer minstens noodig
had om, zonder vrees voor broodsgebrek, te kunnen
leven. Wilde men de jaarwedden der onderwijzers vol-
strekt afhankelijk maken van den finantiëlen toestand der
gemeenten, velen hunner zouden aan armoede en gebrek
zijn prijs gegeven en de belangen van het onderwijs zou-
den ten gevolge van dien grootendeels worden benadeeld.
(Mem. V. Beantw. op het Versl. 1® Kam. der St.-Gen. van
9. Aug. 1857.)
(g) Indien de onderwijzer, onder goedkeuring van Ge-
deputeerde Staten, overeenkomstig art. 22, tevens de be-
trekking van koster, voorzanger of dergelijke bediening
bekleedt, mag het inkomen, dat hij als zoodanig geniet,
al zij het nog zoo aanzienlijk, van geen invloed zijn op
de bepaling van zijn tractement als onderwijzer. Beide
betrekkingen toch staan geheel op zich zelve; tijdelijk
vereenigd kunnen zij, zoodra hetzij het burgerlijk, hetzij
het kerkelijk bestuur dit raadzaam oordeelt, weder ge-
scheiden worden. (Mem. v. Toel. van 21. Febr. 1857.)
(g) Die inkomsten ontvangen de onderwijzers voor de
diensten, welke zij als koster, voorzanger, organist, enz.
bewijzen, en wanneer deze diensten aan de behoorlijke
uitoefening van hun ambt van onderwijzer niet hinderlijk