Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bit werk sluit zich eenigszins aan die verzamelingen van
Wetten aan, hoezeer het dan ooh geheel op zich zelf staat.
Aangaande de wijze van behandeling heb ik nog het vol-
gende mede te deelen:
De artikels der wet zijn, in zoo verre zij daarvoor vat-
baar zijn, in zoo vele af deelingen gesplitst als de text aan de
hand geeft, en met opeenvolgende letters aangeduid. Op die
loijze kon er orde in de medegedeelde aanteekeningen en toe-
lichtingen komen. — Daar, waar de officiële af deeling voor-
kwam, was zulks natuurlijk overtollig.
De aanteekeningen heb ik onmiddellijk onder ieder artikel
geplaatst, en niet aan den voet der bladzijden, om zoodoende
het overzigt gemakkelijk te maken.
De aanteekeningen zijn genomen uit de verschillende stukken
der regering en der wetgevende magt , icaartoe de wettelijke
regeling van het onderwijs sedert 1849 aanleiding heeft gege-
ven , en waaruit de wet van tijd tot tijd ontwikkeld is.
Beginselen, welke in de ontwerpen van wet voorkomen, en
die niet in de wet zijn opgenomen, zijn over het geheel niet
medegedeeld, en alzoo buiten beschouwing gebleven: Daarentegen
zijn loeder andere beginselen, loelke in de eerste ontwerpen niet
voorkomen, en van ivelke de aanleiding tot opneming in de
wet hij de vertegenwoordiging moet gezocht worden, soms hij
enkele leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van
1855 , 1856 en 1857, en in de Memoriiin van Toelichting en
Beantwoording, met zorg nagegaan en gevolgd.
Het gesprokene van Z. E. den heere Minister van Binnen-
landsche zaken tot opheldering, verklaring en verdediging der
wet bij de openbare beraadslagingen in de Eerste en Tweede
Kamer der Staten-Generaal, heeft zeer veel stof tot aanteeke-
ning gegeven, zoo als trouwens te verwachten was. Hetgeen
door andere hoofden van Dejiartementen hij die gelegenhe-
den is gesproken , is ook getrouw medegedeeld, inzonderheid
dat wat Z. E. de heer Minister van Justitie heeft te kennen
gegeven.
Uit de redevoeringen van de bijzondere leden der Eerste
en Tweede Kamer der Staten-Generaal, is hijna niets mede-