Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
69
Aet. 19.
De geest der tegenwoordige wet scheen dit mede te bren-
gen. (Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(b) Dat er in verband met het 2" lid van dit artikel
moeijelijkheden zouden kunnen ontstaan in die gemeenten,
waar de onderwijzer tevens het kostersambt bekleedt en
als zoodanig eene vrije woning heeft, vreest de Regering
niet. In zoodanig geval zal het Gemeentebestuur schik-
kingen trachten te maken met het Kerkbestuur over het
gebruik en het afstaan der woning. Wenscht het Kerk-
bestuur aan het gebruik de betaling van huur te verbin-
den , de gemeente zal aan die vordering behooren te vol-
doen, daar de wet haar de verpligting oplegt, den onder-
wijzer vrije woning te verschaffen. De Regering koestert
nogtans de hoop, dat de Kerkbesturen in het algemeen
tot welwillende medewerking en hulp in dit opzigt gezind
zullen worden bevonden. (Mem. v. Beantw. van 16. Junij
1857.)
(d) Den hoofdonderwijzer wordt eene toelage verleend
ten behoeve van den kweekeling. Taalkundig kan dit wel
geen anderen zin hebben dan de bovenvermelde. Stond
er voor eiken kweekeling, twijfel ware geoorloofd, maar
nu er staat: ten behoeve van eiken kweekeling, volgt
daaruit, dat de kweekeling de toelage door tusschenkomst
van den hoofdonderwijzer ontvangt. Die tusschenkomst
is noodig geoordeeld zoowel omdat de kweekelingen soms
spoedig afwisselen en het dus aan de gemeente veel last
zou veroorzaken indien de toelage hun regtstreeks moest
worden betaald; ten andere om zoo doende de betrekking
tusschen den hoofdonderwijzer en den kweekeling te be-
vorderen. (Mem. v. Toel. van 21. Febr. 1857.)
(g) De ondervinding had geleerd , dat de gemeenteraden
ook ten gevolge van het gemis aan bepalingen in de ge-
meentewet, omtrent het bedrag van de bezoldiging der ge-
meentelijke ambtenaren, die bezoldiging veelal op een te
laag cijfer hadden gesteld. Met opzigt tot de openbare
onderwijzers liet zich voortdurend iets dergelijks verwach-
ten, en daartegen moest, nog niet zoo zeer in het belang