Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
66
Art. 18 en 19.
geldelijke tegemoetkoming. (Mem. v. Toel. van 21. Febr-
1857.)
Ten einde evenwel zorg worde gedragen, dat die kwee-
kelingen voor hunne taak berekend zijn , en de hoofdon-
derwijzer zijne keuze niet op ongeschikten vestige, is
tevens bij dit artikel bepaald , dat zij ten genoegen van
den districts-schoolopziener moeten zijn. (^Rfem. v. Toel.
van 30. Dec. 1855.)
Kweekelingen kunnen eenigermate met de vroegere on-
derwijzers van den vierden rang worden gelijkgesteld.
(Mem. v. Toel. van 21. Febr. 1857.)
De bedenking, dat het door een kweekeling te geven
onderwijs uit den aard der zaak gebrekkig is, kan niet de
oudere kweekelingen gelden, die bepaaldelijk voor den
onderwijzersstand worden opgeleid en reeds eenigermate
als hulponderwijzers zijn te beschouwen; terwijl voor eene
goede keuze een waarborg te meer gelegen is in de slot-
bepaling van dit artikel, dat zij ten genoegen moeten zijn
van den schoolopziener. Dat overigens een Gemeentebe-
stuur niet aan het als minimum voorgeschreven getal ge-
bonden is en alle vrijheid heeft in plaats van den eersten
kweekeling een hulponderwijzer aan te stellen, zal wel
niet twijfelachtig zijn. (Mem. v. Toel. van 21. Febr 1857.)
Het komt geenszins op vlugheid van geest aan, maar
tevens op die zelfstandigheid en vastheid van karakter,
zonder welke niet ligt iemand eene talrijke klasse van
schoolkinderen goed zal weten te leiden en hun het noo-
dig ontzag in te boezemen. (Mem. v. Beantw. van 16.
Junij 1857.)
Art. 19. (a) Aan eiken hoofdonderwijzer wordt, be-
halve TOje woning, zoo mogelijk met een tuin, eene
jaarwedde toegelegd.
(b) Ingeval hem geene vrije woning kan verschaft
worden, ontvangt hij eene billijke vergoeding voor
huishuur.