Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
65
Aut. 18.
die toch reeds over het algemeen tot grootere onkosten
zullen worden verpligt. Met den wensch dat de Gemeente-
besturen de voorgeschreven hulp eenigzins meer zullen
uitbreiden, kan de Eegering geheel instemmen. (Mem.
van Beantw. op het Versl. 1° Kam. der St.-Gen. van 9.
Aug. 1857.)
De vraag, hoeveel kinderen er op eene school moeten
en mogen vereenigd worden, om het onderwijs goed klas-
sikaal te kunnen inrigten, is, naar ik meen, nog niet ge-
heel voldongen en beslist; zij vereischt op zich zelve eene
naauwkeurige overweging. (Min. van binnenl. zaken, Bijbl.
1857, bladz. 1238.)
Op de vraag: of onder het getal 70 leerlingen, het midden-
cijfer moet verstaan worden, antwoordt de min. van bin-
nenl. zaken:
Het midden cijfer zal wel de meest natuurlijke maatstaf
zijn. (Bijbl. 1857, bladz. 1048.)
De hulp, aan onderwijzers te verleenen, zal zich niet
bepalen tot de kweekelingen en tot de hulponderwijzers,
maar zij zal zich ook kunnen uitstrekken tot de meer ge-
vorderde leerlingen van de hoogste klasse. Deze zullen
kunnen toegelaten worden, om de jongere leerlingen bezig
te houden en te onderwijzen. (Min. van binnenl. zaken,
Bijbl. 1857, bladz. 203, 1° Kam. der St.-Gen.)
Er zijn tweederlei soort van kweekelingen, die in goede
scholen gevonden worden. Bij de lagere klassen namelijk
is gedurig toezigt, leiding, herhaling noodig en zijn aller-
lei kleine diensten te verrigten. Die hulp, geen eigenlijk
onderwijs, verleenen de beste leerlingen van 12—15 jaar
uit de hoogste klasse. Van dezen worden evenwel slechts
enkelen ouderwijzers; de meesten gaan tot eene andere
bestemming over. De aard der werkzaamheden van de
laatst bedoelde brengt mede, dat zij geene aanspraak heb-
ben op eene geldelijke belooning; slechts zij die zich bijv.
op 15jarigen leeftijd voor het vak verklaren, reeds meer
belangrijke diensten bewijzen en den onderwijzer bijstaan,
verdienen als aanmoediging en belooning eene kleine
5