Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
Art. 16 en 17.
Wanneer de gemeenten in verschillende provinciën lig-
gen, vragen de Gedeputeerde Staten der provinciën, al-
vorens de bedoelde magtiging te verleenen, onze goed-
keuring.
Art. 17. (a) De gemeenteraad bepaalt het getal der
scholen. Zijn besluit wordt aan Gedeputeerde Staten
medegedeeld.
(b) Zoo Gedeputeerde Staten het getal onvoldoende
achten, bevelen Zij vermeerdering.
(c) Indien het Ons onvoldoende voorkomt, kan ver-
meerdering door Ons worden bevolen.
(d) De uitbreiding van het onderwijs, bij het lid
van het voorgaand artikel bedoeld, wordt op dezelfde
wijze vastgesteld.
(b en c) Zonder deze tusschenkomst van hooger magt
is er geen genoegzame waarborg , dat het getal scholen
voldoende zal wezen. Al ligt zou een Gemeenteraad ter
vermijding van uitgaven beweren, dat het door hem be-
paalde getal voldoende is. Gedeputeerde Staten kunnen
nagaan, of het getal werkelijk voldoende is, en moeten,
indien zij van een tegenovergesteld gevoelen zijn, vermeer-
dering bevelen. Doch ook dit collegie zou soms geacht
kunnen worden bij zijne beslissing niet geheel op een on-
zijdig standpunt te zijn geplaatst. Want de te bevelen
vermeerdering zou ten gevolge kunnen hebben, dat de
Gemeente in de termen viel om hulp van de Provincie en
het Rijk te vorderen. Van daar dat de Koning de be-
voegdheid moet hebben , vermeerdering van het getal scho-
len te bevelen, hetzij Gedeputeerde Staten geene of geen
voldoende vermeerdering hebben gelast. Door wien de
Koning tot de overtuiging der ongenoegzaamheid van het
getal komt, behoeft niet in de wet te worden vermeld.