Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
Art. 16.
onderling kunnen verstaan om ééne of meer gemeenschap-
pelijke scholen op te rigten en voortdurend te bekostigen;
ook zullen dan, zoo plaatselijke ligging als overwegende
redenen het noodig maken, grootere gemeenten zich onder-
ling kunnen verstaan tot het bezit eener gemeenschappe-
lijke school. Alle vooraf niet te berekenen en dus in de
wet niet op te nemen gevallen kunnen dan geregeld worden.
De wet behoort alleen ter uitvoering van het grondwet-
tig voorschrift te zorgen, dat al de kinderen, die in de
schooljaren vallen, in de gelegenheid worden gesteld om
openbaar lager onderwijs te ontvangen, de aanwijzing der
plaats, waar die gelegenheid wordt gegeven , kan aan het
gemeen overleg van de plaatselijke en provinciale bestu-
ren , altijd onder hooger beroep op den Koning, worden
overgelaten.
Om voldoende te wezen behoort het openbaar lager on-
derwijs aan de navolgende vereischten te beantwoorden:
het moet al die kundigheden bevatten, waarvan de kennis
voor een ieder onmisbaar is; het moet ingerigt worden
met het oog op de bevolking en de behoefte der gemeente.
Art. 1 wijst de vakken aan, welke het gewoon lager
onderwijs omvat. Naar inzien der Regering maken zij het
minimum uit der kennis, welke een ieder, onverschillig
tot welken stand in de maatschappij hij behoort, moet be-
zitten, en hetwelk de overheid alzoo verpligt is overal te
doen geven. Over den omvang van hetgeen onder vol-
doend openbaar lager onderwijs zij te begrijpen, kan ver-
schil van gevoelen bestaan, maar dezelfde maatstaf moet
overal gelden. (Mem. v. Toel. van 30. Dec. 1855.)
(c) Art. 121 der gemeentewet luidt aldus:
De besturen van twee of meer gemeenten kunnen ge-
meenschappelijke zaken, belangen, inrigtingen of werken,
na magtiging en onder goedkeuring van Gedeputeerde
Staten regelen.
De magtiging en goedkeuring kunnen, indien de Gede-
puteerde Staten die weigeren, door de besturen van ons
worden gevraagd.