Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
57
Art. 16.
Ik meen dat het tot onraadzame gevolgtrekkingen zou
kunnen leiden, zoo wij voor de onderwijzers van meer
bejaarde personen eene uitzondering maakten.
(a) De zaak wegens een voldoend aantal seholen hangt
geheel van plaatselijke omstandigheden af, zoodat men
niet wel anders schijnt te kunnen handelen, dan de bepa-
ling van het getal der openbare scholen van lager onder-
wijs aan de gemeenteraden over te laten, onder goedkeu-
ring van Gedeputeerde Staten. (Mem. v. Toel. van 22.
Sept. 1854.)
(a) Dat het met de Grondwet strijdig zou wezen bij de
regeling van het getal der openbare scholen op de reeds
bestaande bijzonder acht te geven, kan de Regering niet
inzien. De Grondwet kent ook een bijzonder onderwijs
en dit zou bijna onmogelijk wezen, zoo het openbaar
lager onderwijs geheel zelfstandig, onafhankelijk van het
feit der aanwezigheid van bijzondere scholen, geregeld
moest worden. Ook zouden de gemeenten dan geheel
noodeloos tot aanzienlijke uitgaven worden verpligt en
enkele harer scholen gevaar loopen van ledig te staan,
daar toch zij, die thans van goede bijzondere scholen ge-
bruik maken, deze niet zouden verlaten om de nieuwe
openbare te bezoeken. Mogt een of meer der bedoelde
bijzondere seholen te niet gaan, het Gemeentebestuur moet
zorgen, dat de daardoor ontstane leemte ten spoedigste worde
aangevuld, en dit zal tijdig genoeg kunnen geschieden om
te verhoeden, dat een deel der schooljeugd gedurende ge-
ruimen tijd van het genot van onderwijs verstoken zij.
(Mem. v. Toel. van 30. Dec. 1855.)
(a) Het grondwettig voorschrift brengt mede, dat voor
iedere gemeente het openbaar lager onderwijs geheel zelf-
standig, onafhankelijk van het feit der aanwezigheid van
bijzondere scholen geregeld worde. Hoe goed ingerigt
eene school van de laatste soort moge zijn, haar voortdu-
rend bestaan hangt van verscheidene omstandigheden, van
het goedvinden van bijzondere personen af. De oprigters
en bestuurders kunnen onwillig of buiten magte worden,