Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
mmm
54
Aiiï. 16.
(a) De Regering is voor het behoud der gemengde
sehool, de openbare sehool toegankelijk voor de kinderen
van alle godsdienstige gezindheden. Zij acht het verkies-
lijk , dat de toekomstige staatsburgers, te zamen opgroei-
jende, ook te zamen in de volksscholen onderwezen wor-
den , opdat hierdoor de band van eenheid en onderling
welwillend verkeer reeds vroeg worde gelegd. Zij houdt
het er voor, dat de gemengde school voor alsnog aan het
grooter deel der natie het welgevalligst is. Deze is er
aan gewoon en gehecht geworden. De Regering wenseht
alzoo in de staatsschool de kinderen der onderscheidene
godsdienstige gezindheid opgenomen te zien. (Mem. v.
Toel. van 21. Februarij 1857.)
(a) Uitsluiting van de Israëlitische kinderen van de
openbare scholen, acht de Regering onbestaanbaar met
de grondwettige regten der Israëlitische belijders; zij
meent, dat misschien daartegen ook dan bedenkingen zou-
den kunnen geopperd worden, wanneer de afzondering
hunner kinderen door de Israëlitische ouders werd begeerd,
hetgeen echter tot dusverre , niet heeft plaats gehad. (Mem.
v. Toel. van 16. Junij 1357.)
(a) De Regering meent dat het sinds bijna 50 jaren
bestaan van gemengde scholen eene reden moet zijn om
van haar voortdurend behoud niet af te zien.
Maar daarenboven is zij overtuigd dat dit stelsel met
den geest en de bedoeling der Grondwet en met de gelijk-
heid van regten door haar aan de belijders der onder-
scheidene godsdiensten verzekerd het meest overeenkomt,
en het eenige is, dat in den regel kan worden toegepast.
Door de bij de Grondwet verleende vrijheid, zal het ge-
oorloofd wezen aan het bijzonder onderwijs elke godsdien-
stige rigting te geven die men verlangt; maar daar tegen-
over moet het openbaar onderwijs voor allen, ook voor
hen die geene bepaalde godsdienstige rigting aan het on-
derwijs wenschen gegeven te zien, toegankelijk wezen, en
de openbare sehool een onzijdig terrein zijn, waar, met
ter zijde stelling van alle verschilpunten omtrent gods-