Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
Art. 15.
worden, ook onder de bepalingen van deze wet, als lagere
onderwijzers, te zijn betrokken, wanneer zij afzonderlijke
scholen voor die vakken van lager onderwijs houden; of-
schoon zoodanige scholen en onderwijzers daarin met der
daad niet als lagere scholen kunnen worden aangemerkt,
daar slechts een gedeelte van het lager onderwijs door
hen in die scholen wordt gegeven. Het onderwijs in de
wiskunde en in de landbouwkunde daarentegen, schijnt
tot het middelbaar onderwijs te moeten gerekend worden
te behooren. Men heeft, met andere woorden, gemeend
zangmeesters, onderwijzers in de gymnastiek niet te kun-
nen gelijkstellen met gewone lagere onderwijzers, in den
eigenlijken zin; het uitsluitend onderwijs in die vakken
niet te kunnen aanmerken als lager onderwijs: van daiir
de uitsluiting in dit artikel opgenomen. (Min. van binnenl.
zaken, Bijbl. 1857, bladz. 1046.)
a en h. De uitbreiding der vakken van het lager on-
derwijs , met name het opnemen daarin van zingen, tee-
kenen, gymnastiek en het onderwijs in handwerken voor
meisjes, moet ten gevolge hebben, dat personen, die zich
uitsluitend wijden aan het geven van onderwijs in zoodanig
vak, verklaard worden niet aan de voorschriften der tegen-
woordige wet onderworpen te zijn. Doch niet alleen zij
die dat onderwijs geven, ook het onderwijs zelf en de
scholen waarin het gegeven wordt, schijnen buiten de toe-
passing dezer wet te moeten worden gesteld, daar zang-,
teeken- en gymnastiescholen, zoomede scholen waar uit-
sluitend onderrigt in handwerken gegeven wordt aan meis-
jes , niet met gewone lagere scholen op ééne lijn kunnen
worden gesteld. Dien ten gevolge is bij dit artikel zooda-
nige uitzondering gemaakt. Eene tweede uitzondering van
gelijken aard scheen noodig voor het onderwijs door mili-
tairen gegeven aan militairen en waarop in het Voorloopig
Verslag de aandacht werd gevestigd, onder opmerking,
dat het de bedoeling niet kan zijn van hen, die dat onder-
wijs geven, te eischen dat zij eene acte van bekwaamheid
bezitten, zoo als deze wet die vordert.