Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
Art. 12.
De bepaling van art. 12 brengt niet mede, thans over
te gaan, tot de oprigting van eene kweekschool voor on-
derwijzeressen. Wanneer het later noodig geacht wordt,
over te gaan tot de oprigting van eene kweekschool voor
onderwijzeressen, zal men daartoe kunnen besluiten. Het
is echter een zeer moeijelijk punt, in verband met de uit-
komsten, omdat zoo velen aan het onderwijs worden ont-
trokken. (Bijbl. 1857, bladz. 1046.)
(a) Tot nadere opheldering aangaande de hweelcscholen,
antwoordt de min. van binnenl. zaken het volgende:
Ik moet doen opmerken dat art. 12 eerste alinea, van
ten minste twee rijks-kweekscholen spreekt, zoodat meer
dan twee kweekscholen zullen kunnen worden opgerigt en
dat de beperking tot éëne kweekschool, indien men er
ëéne voor onderwijzeressen verlangt, niet noodzakelijk zou
zijn. Ik geloof dat het thans allezins van belang is, dat
men de bepaling van twee rijks-kweekscholen voor onder-
wijzers behoude. Wanneer later, gelijk ik gezegd heb,
in den loop der overwegingen mogt blijken , dat het noo-
dig is over te gaan tot het oprigten van eene kweekschool
voor onderwijzeressen, dan zou de Regering zeker niet in
gebreke blijven, het daartoe noodige voorstel te doen; en
ik geloof dat de bepaling van art. 12 daartegen niet in den
weg zou staan. De bepaling in art. 12 opgenomen, snijdt
niet af de gelegenheid, om de middelen tot opleiding van
onderwijzers te vermenigvuldigen. (Bijbl. van 1857 , bladz.
1046.)
(a) Op de opmerMngj dat de twee Icweekscholen op verwijderde
punten moeten tot stand komen ^ antwoordt de Kegering:
Eene bijvoeging, dat de twee rijks-kweekscholen zullen
worden opgerigt op van elkander verwijderde punten van
het Rijk scheen de Regering ■ overbodig toe. Hier te
lande, is er geene aanleiding voor een uitdrukkelijk
voorschrift op dit punt. Uit den .aard der zaak zal, al
zwijgt de wet, bij de oprigting gelet moeten worden op
de noodzakelijkheid, om de twee instellingen op van elkan-
der verwijderde plaatsen te vestigen. Evenmin heeft de