Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
Aiit. 12.
rigting van afzonderlijke meisjesscholen te zorgen, in-
gang vond.
Men wensehte echter het beginsel van de opleiding der
onderwijzers in de wet bepaald te hebben, anders zou een
punt, door allen van het uiterste gewigt geacht voor de
toekomst van het lager onderwijs, aan de veranderlijke
inzigten van opvolgende ministers worden overgelaten, en
een hoofddeel der inrigting van het openbaar lager onder-
wijs, tegen de uitdrukkelijke bepaling van 194 der Grond-
wet aan, ongeregeld blijven. (Voorl. Versl. van 29. April
1856.)
(a) Men wenseht vrij algemeen; 1° het bestaan van
althans twee Rijks-kweekscholen voor onderwijzers ,, geves-
tigd op onderscheidene punten des Rijks, en in zoodanige
gemeenten, waar, ten gevolge van het aanwezen van een
aanzienlijk aantal scholen , voor de kweekelingen genoeg-
zame gelegenheid geopend is om zich ook buiten de leer-
school, aan de instelling verbonden, in het praktische van
hun vak te oefenen; 2" het openen van eenen normalen
cursus of cursus van paedagogische lessen bij enkele der
meest uitnemende lagere scholen, die als modelscholen
beschouwd kunnen worden, en waaraan daarom, ook met
ondersteuning van overheidswege, een meer talrijk, met
bijzondere zorg gekozen onderwijzend personeel verbonden
moet zijn; 3° de zooveel mogelijk voldoende opleiding van
kweekelingen voor den onderwijzersstand op de gewone
lagere scholen. (Mem. van Toel. 21. Febr. 1857.)
(a) Op de vraag, wat de onderwijzers-gezelschap-pen voor
de opleiding hebben gedaan, antwoordt de Regering:
Het is overtuigend gebleken, dat de onderwijzers-gezel-
schappen , en de vereenigingen, welke daartoe behooren,
voor de opleiding van aankomende onderwijzers goede
vruchten dragen , merkbaar in het verbeterd onderwijs.
(Mem. van Toel. van 21. Februarij 1857.)
(a) Op de vraag: of er ook eene kweekschool voor onder-
wijzeressen zal worden opgerigt? antwoordt de min. van
binnenl. zaken: