Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
AßT. 11 en 12.
ting, was alzoo geene sprake. (Mem. van Beantw. van
16. Junij 1857.)
(b) De hoofdbedenking tegen het weder toelaten van
onderwijzers, die zich aan een der wanbedrijven in art.
10 vermeld hadden schuldig gemaakt, bestaat daarin,
dat zij gevangenisstraf hadden ondergaan, en dat de zoo-
danigen het vertrouwen der ouders, en vooral den eer-
bied der leerlingen verloren hadden. (Mem. van^Beantw.
van 16. Junij 1857.)
(b) De Regering erkent de mogelijkheid, dat zich ge-
heel buitengewone gevallen voordoen, die het wenschelijk
zouden maken , een' onbevoegd verklaarden onderwijzer den
baan op nieuw te openen, en in zoo verre wil zij wel
medewerken, om dit doel te bereiken. Zij is echter van
oordeel, dat dit dan alleen geschieden mag, in de geval-
len vermeld in art. 22 zevende lid, en art. 39, en boven-
dien den onderwijzer geen regt behoort te worden toege-
kend om te vorderen, dat hij zijne vroegere bevoegdheid
terug bekome, maar het terug geven dier bevoegdheid
uitsluitend van het welmeenen des Konings moet afhangen
en als eene gunst worden beschouwd. (Mem. van Toel.
van 21. Februarij 1857.)
Art. 12. (a) Tot opleiding van onderwijzers zijn er
ten minste twee rijks-kweekscholen en worden van rijks-
wege aan enkele der meest voortreffelijke lagere scholen
normaallessen verbonden.
(b) De opleiding van onderwijzers en onderwijzeres-
sen op de lagere scholen wordt zooveel mogelijk van
rijkswege bevorderd.
(a) De hoop en de kracht van ons openbaar^volkson-
derwijs, rusten op de waardij der onderwijzers. Vele an-
dere vraagstukken omtrent de aan het lager onderwas te