Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
Art. 11.
wetten des Lands ? Mag hij, die in cen dezer gevallen
verkeerde, later weder tot het geven van onderwijs wor-
den toegelaten ? Mag een der meest gewigtige aangele-
genheden , het vormen en opleiden der jeugd, toevertrouwd
worden aan iemand, die zich aan een der bovengenoemde
belangrijke vergrijpen tegen de zedelijkheid heeft schuldig
gemaakt? Heeft niet de onderwijzer, die gevangenisstraf
onderging, het vertrouwen der ouders en vooral den eer-
bied zijner leerlingen verloren?
Zou een onderwijzer, die, uithoofde van zijn ergelijk
levensgedrag, do bevoegdheid tot het geven van onderwijs
verloor, ook al had hij geen gevangenisstraf onder-
gaan , den ongunstigen indruk , die daardoor te zijnon
aanzien zou zijn te weeg gebragt, ooit weder te boven
komen ? Is er een stand, waarbij meer dan bij den onder-
wijzerstand een vlekkeloos leven en onbesproken karakter
onmisbare vereischten zijn? Kan iemand met goeden uit-
slag de beoefening van deugd, zedelijkheid en godsdienst
aanbevelen en voorschrijven, wanneer hem kan toegewor-
pen worden , dat hij zelf zijne voorschriften uit hot oog
verloren heeft? Zou er bovendien voldoende zekerheid to
verkrijgen zijn, dat de schuldige zich werkelijk had gebe-
terd, en hoeveel malen zou hij na herhaald vergrijp op
nieuw toegelaten moeten worden?
De overwegingen hebben de Regering geleid om den
onderwijzer, die in een der gevallen verkeert, vermeld in
de artt. 10, 20 en 31 den terugkeer tot zijne vroegere
betrekking af te snijden. Hot belang van het onderwijs
en de achting voor den onderwijzerstand schenen haar toe
dezen maatregel te vorderen. Zij houdt zich overtuigd,
dat de bevoegdheid tot het geven van onderwijs, hoogst
zelden zal worden verbeurd, maar mögt zoodanig geval
zich onverhoopt voordoen, dan vertrouwt zij evenzeer,
dat alle weidenkenden , er hunne goedkeuring aan zullen
hechten, dat een onderwijzer, die zoo ver kwam, voor
altijd van het geven van onderwijs wordt uitgesloten.
(Mem. van Toel. van 30. Dec. 1855.)