Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
Art. 10.
Art. 10. Behalve in de gevallen hierna vermeld,
vervalt de bevoegdheid tot het geven van,lager onder-
wijs voor hem, die bij eindvonnis is veroordeeld:
a. wegens misdaad;
h. wegens diefstal, opligting, meineed, misbruik van
vertrouwen of aantasting der zeden.
a. De wet moet, naar inzien der Regering, alleen de
wanbedrijven vermelden, waaromtrent het niet twijfelach-
tig is, of hij, die ze onder welke omstandigheden ook be-
dreef, de'bevoegdheid tot het geven van onderwijs behoort
te verliezen. (Mem. van Toel. van 30. Dec. 1855.)
Het bepaald opnoemen van meineed is noodzakelijk.
(Voorl.' Versl. van 6. April 1857.)
a. Het is aan de Regering duidelijk geworden, dat de
meineed met het verlies der bevoegdheid tot het geven van
onderwijs te straffen, dit wanbedrijf ten gevolge der wet
van 29. Junij 1853 (Staatsblad n". 102), in het nu behan-
delde artikel moet worden opgenomen. De Regering is
toch van oordeel, dat een onderwijzer, die wegens een
valschen eed is veroordeeld, de bevoegdheid tot het geven
van onderwijs moet verliezen. (Mem. van Beantw. van
16. Junij 1857.)
De wet van 29. Junij 1854 (Staatsblad n°. 132.), behelst
aangaande het verlies van het waarnemen van openbare
bedieningen of ambten, niets betrekkelijk den meineed.
Het wordt den regter overgelaten, de ontzetting dier
(burger) regten al of niet uit te spreken.
De ontzetting van de waarneming van bedieningen of
ambten is alleen dan niet verpligtend, wanneer de regter
art. 463 , van dat wetboek toepast.
Art. 463 van het wetboek van straf regt luidt aldus:
In al de gevallen, waarin de straf van gevangenis bij
dit wetboek gesteld wordt, worden de regtbanken gemag-