Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
Art. 8 en 9.
of tegen het wanbedrijf in het strafwetboek slechts enkele
geldboete is bedreigd.
Het is to6passelijk in de gevallen van de artt. 5,6,
10, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 18 en 19 dezer Wet.
Het is mede toepasselijk bij eerste of latere overtre-
dingen van politie, in het wetboek van strafregt voor-
zien met die uitbreiding, dat de toepassing der daartegen
bedreigde gevangenisstraf in geen geval meer verplig-
tend is.
Art. 9. Bij elke veroordeeling tot boete wordt tevens
door den regter bepaald, dat, indien de veroordeelde
twee maanden na daartoe te zijn aangemaand in gebreke
blijft de boete of geregtskosten te voldoen, de opgelegde
straf zal worden vervangen door gevangenisstraf van ten
hoogste veertien dagen indien meer dan vijftig gulden,
en ten hoogste zeven dagen indien niet meer dan
vijftig gulden aan boete is opgelegd.
Art. 165 der gemeente wet is hier van toepassing , hetwelk
aldus luidt:
Bij elke veroordeeling tot geldboete wordt tevens door
den regter bepaald, dat, indien daaraan niet is voldaan
binnen twee maanden nadat de veroordeelde tot betaling
is aangemaand, de geldboete door gevangenisstraf van
ten hoogste drie, en bij herhaling volgens de bepaling
van art. 163 van ten hoogste zes dagen zal worden ver-
vangen.
De wet zwijgt van de bestemming der geldboeten. Het
algemeen beginsel is op die boeten toepasselijk. Zij ko-
men ten bate van den staat. (Mem. van ïoel. van 21.
Febr. 1857.)