Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
Art. S.
dat naar de letter der wet dergelijke tijdelijke waarneming
niet geoorloofd is en dat wel eenig, schoon zeer gering,
verschil bestaat, of iemand, die slechts eene acte van
hulponderwijzer heeft, tijdelijk aan het hoofd eener school
wordt geplaatst, dan wel hij die, hoewel niet den gevor-
derden rang, dan toch een schoolonderwijzersrang bezit.
Ten einde dus mogelijke bezwaren te voorkomen, heeft
de Regering aan het tweede lid van dit artikel eene uit-
zondering toegevoegd. Daarbij is het echter wenschelijk
geoordeeld eenen uitersten termijn te stellen voor den duur
der tijdelijke waarneming, om alzoo te voorkomen dat >
onder het voorwendsel van tijdelijke waarneming, een
hulponderwijzer, in strijd met den geest der wet, voor
onbepaaldon tijd aan het hoofd eener school blijve. Wel
is hiertegen, voor zooveel de openbare scholen betreft,
reeds gewaakt door het voorschrift in art. (22) dat zij
niet langer dan zes maanden vacant mogen blijven, maar
ten opzigte der bijzondere scholen is gelijk voorschrift niet
te geven en bij deze zou dus in bovenstaanden zin kun-
nen worden gehandeld. Raadzaam schijnt alzoo eene
algemeene beperking. '^Mom. van Beantw. van 16. Junij
1857.)
(c) Art. 463 van het wetboek van straf regt luidt aldus:
In al de gevallen, waarin de straf van gevangenis bij
dit wetboek gesteld wordt, worden de regtbanken ge-
magtigd om, bijaldien het veroorzaakte nadeel geen vijf
en twintig franken te boven gaat, en bijaldien de omstan-
digheden het wanbedrijf schijnen te verkleinen, de gevan-
genis zelfs tot beneden de zes dagen cn de boete zelfs
tot beneden de zestien franken te verminderen. Zij zullen
ook de een of de andere dezer straiTen afzonderlijk mo-
gen wijzen, zonder dat zij in eenig geval beneden de
bloote politie-strafFen mogen zijn.
Art. 20 der wet van 29. Jidij 1854 (Staatsblad n°. 102),
is van den volgenden inhoud: „Het art. 463 van het
wetboek van strafregt kan worden toegepast, ook dan
wanneer de toegebragte schade 25 francs te boven gaat.