Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
AiiT. 7.
kwaamheid te bezitten; of liever, waarin zij krachtens een
daartoe aan den Koning te verleenen regt van dispensa-
tie, van het bezit van dat bewijs kunnen worden vrijgesteld.
De vrijstelling zou zich moeten beperken tot de zooda-
nigen, die van het geven van onderwijs geen beroep ma-
ken en daarvoor geenerlei belooning genieten, (Voorl.
Versl. van 29. April 1857.)
(a) Op de vraag: op ivelke wijze de vergunning zal ivorden
verleend, bedoeld in lett. c van dit artikel ? antwoordt de
min. van binnenl. zaken:
De uitvoering van de bepaling is overlaten aan den
Koning en het zal dus aan den Koning staan de uitvoe-
ring te regelen , zóó als Hij zal in overeenstemming ach-
ten met het belang der zaak. Ik geloof, dat het niet
goed zou wezen de vergunning waarvan hier sprake is
uit te breiden buiten de ptilen, waar binnen zij nu is
gebragt. Ik twijfel niet of bij de uitvoering van dit arti-
kel zal de noodige zorg voor de handhaving van de be-
palingen der wet op het onderwijs vereenigd worden met
de inschikkelijkheid, welke gevorderd kan worden door
hen, die zich met het onderwijs bezig houden voor die
loffelijke oogmerken waarvan hier de rede is, (Bijbl.
1857, bladz. 1030.)
c. Ik geloof, dat het in de bedoeling der Regering
moet liggen, de vergiinningen aan hen, die zonder gelde-
lijke belooning zich met het onderwijs inlaten, niet dan
met de meeste voorzigtigheid te verleenen. De wcnsch
van de Regering zal zeker zijn, om van de bepaling een
gebruik te maken, die niet schadelijk zal kunnen zijn,
aan de belangen van het onderwijs. (Min. van binnenl.
zaken, Bijbl. 1857, bladz. 102, IMCam. der St.-Gen.)
d. Het zou allervreemdst en aan den bloei van het
onderwijs geenszins bevorderlijk zijn, dat een docter in
de letteren, die bij een gymnasium de geschiedenis doceert,
niet in eene lagere school onderrigt in dat vak zou mo-
gen geven, of dat een docter in de wijsbegeerte aan de
schoolkinderen niet de beginselen der wiskunde zou mogen