Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
Art. 10.
c. "Wat het voorschrift zelf betreft, werd gevraagd, of
ook degenen, die uitsluiten onderwijs in de stuurmanskunst
geven, niet van de verpligting tot onderzoek enz. behoor-
den te worden uitgezonderd. Men doelde daarbij niet op
de onderwijzers in wiskundige wetenschappen, die als
een onderdeel daarvan de stuurmanskunst behandelen,
maar op bevaren schippers, die op plaatsen, waar veel
zeelieden te huis behooren, er hun werk van maken om
jongelieden tot den zeemansstand te helpen opleiden, en
daartoe niet zelden in genoemde kunst voor niet les ge-
ven. Bij het bestaand groot gebrek aan zeelieden, moet
zoo iets meer aangemoedigd dan tegengegaan worden.
(Voorl. Versl. van 22. Mei 1855.)
c. De twijfel is geopperd, of de wet niet te ver gaat
met de bevoegheid tot het geven van lager onderwijs
voor iedereen en in alle mogelijke gevallen afhankelijk te
stellen van het bezit van een bewijs van bekwaamheid.
Onderwijzen, mededeelen der kennis die men bezit aan
anderen, welke daarvan verstoken zijn, is eene algemeen
mensehelijke roeping. Een aantal voorbeelden zijn op te
noemen van menschenvrierden, die zich hier te lande met
het geven van onderwijs aan hun vreemde kinderen bozig
houden, zonder tot den onderwijzersstand te behooren.
Ook thans nog vindt men verscheidene aanzienlijken in
ons vaderland, zoowel mannen als vrouwen, die het zich
ten pligt stellen, kweekelingen en arme kinderen op de
gewone .scholen, of meer volwassenen op Zondagscholen
te onderwijzen. Zal men niet gevaar loopen, die edele
bedrijvigheid te stuiten? De Regering schijnt zelve niet
vreemd van het denkbeeld, dat het maken van uitzonde-
ring op de algemeenheid der bepaling wenschelijk ware.
Sommigen meenden dat de wet wel aanleiding tot vrijstel-
ling van personen als de aangeduide geven kon, zonder
daarom de deur voor allerlei onwettig onderwijs te openen.
Dan zou echter de wet enkele gevallen kunnen omschrij-
ven , waarin zoowel mannen als vrouwen in het onder-
wijs behulpzaam mogen zijn, , zonder een bewijs van be-