Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
v
28
Art. 6.
Bovendien zal haars inziens het hier bedoelde geval zich
zeldzaam voordoen en, zoo al, geene groote schade aan
het onderwijs kunnen aanbrengen. Het openbaar onder-
wijs vindt een waarborg in het voorschrift omtrent het
verpligtend vergelijkend axamen bij elke schoolvervulling:
bestuurders van bijzondere scholen zullen er wel voor
zorgen om geen ongeschikten of de oefening verloren heb-
bende onderwijzer aan het hoofd hunner school te plaat-
sen; alleen ingeval zoodanig onderwijzer zelf eene school
oprigtte, zou het gemis der verlangde bepaling welligt
nadoel kunnen veroorzaken, maar dan toch slechts voor
korten duur, daar de onderwijzer, zoo hij voor zijne taak
niet berekend bleek , spoedig zijne leerlingen zou verlie-
zen. (Mem. van Beantw, op het Versl. 1° Kam. der St.-
Gen. van 9. Aug. 1857.)
(b) Aan het behoud der vergunning des Konings ten aan-
zien van het onderwijs door vreemdelingen, blijft de Rege-
ring hechten. Wel zal de onvoldoende kennis onzer taal
den vreemdeling in den regel terug houden, maar het
geval is toch denkbaar, dat zich een vreemdeling aanbiedt,
voor wien dat beletsel niet bestaat. Bovendien is dit ook
tijdelijk op de vreemde taalmeesters van toepassing, en
het schijnt niet overbodig zich meer naauwkeurig dan de
examinerende Commissie doen kan, te verzekeren, dat de
zoodanigen ten aanzien van zedelijkheid voldoende waar-
borgen opleveren. Het schijnt beter, dan dus verre is ge-
schied , door tusschenkomst van het Departement van Bui~
tenlandsche zaken, do noodige inlichtingen te doen inwin-
nen, althans in die gevallen, dat de vreemdeling eerst
kort geleden hier te lande is gekomen , en het was dan
ook het voornomen der Regering , voortaan alzoo te werk
te gaan. (Mem. van Beantw. van 16. Junij 1857.)
(b) Ik geloof, dat het in de bedoeling der Regering
moet liggen , deze toelatingen van vreemdelingen niet dan
met de meeste voorzigtigheid te vcrleenen. Do wensch
van do Regering zal zeker zijn , om van de bepaling een
gebruik te maken, dat niet schadelijk zal kunnen zijn